Innoculeren bij sojateelt noodzakelijk - Soja

Project partners

ILVO

inagro - onderzoek & advies in land- & tuinbouw

KULeuven

Colruyt Group

Agentschap innoveren en ondernemen

Co-financiering

Agrifirm

Alpro

AVEVE zaden

BFA

Boerenbond - trouw aan land- en tuinbouw

BORLIX

Jorion

Lidl

rikolto

Anné mechanisatie

CNH

M@M

Maschio

Steeno

Vanhoucke

VDD Agri

Inoculeren bij sojateelt noodzakelijk - Nieuwsbrief december 2016

Binnen het IWT-LA-traject “Introductie van sojateelt in Vlaanderen” werd onderzocht wat de beste methode is voor het inoculeren van sojazaden. Hiervoor werden in 2014 en 2015 op 2 locaties (Merelbeke en Geel) veldproeven aangelegd. Vier commercieel beschikbare producten werden gescreend, en verschillende dosissen en/of toedieningstijdstippen voor de inoculatie werden onderzocht.

Zoals de meeste vlinderbloemigen kan soja stikstof (N) uit de lucht fixeren en gebruiken voor zijn eigen stofwisseling. Hiervoor leeft de plant in symbiose met stikstofbindende bodembacteriën Bradyrhizobium. Soja is echter een tropisch gewas, en dus zijn deze bacteriën van nature niet aanwezig in onze landbouwgronden. Het is dan ook aangewezen om sojazaden voor de uitzaai te gaan behandelen. Dit noemt men inoculeren. Meestal gebeurt de inoculatie juist voor uitzaai zodat de bacteriën goede overlevingskansen hebben en uitgroeien tot actieve wortelknolletjes. In deze wortelknolletjes, die trouwens zichtbaar zijn met het blote oog, nemen de bacteriën gasvormige stikstof (N2) op en zetten dit om tot ammonium (NH4+), dat bruikbaar is voor de plant (Figuur 1). De stof die hiervoor verantwoordelijk is (leghemoglobine), is rood van kleur. De actieve wortelknolletjes zijn daardoor bij doorsnijden roze. In ruil voor het geleverde ammonium krijgen de bacteriën koolhydraten, eiwitten en zuurstof terug van de plant.

Actieve Bradyrhizobium wortelknolletjes op soja

Figuur 1. Actieve Bradyrhizobium wortelknolletjes op soja

Tijdens 4 veldproeven (2 jaar, 2 locaties) hebben ILVO-onderzoekers bestudeerd wat nu het effect is van die symbiose op de sojaplanten en de geoogste sojabonen. Vier verschillende producten, 3 verschillende dosissen en 2 toedieningstijdstippen werden getest (Tabel 1).

Producten, dosissen en toedieningstijdstippen van de 8 behandelingen opgenomen in de veldproeven

Tabel 1. Producten, dosissen en toedieningstijdstippen van de 8 behandelingen opgenomen in de veldproeven

De 8 geselecteerde behandelingen werden uitgezaaid volgens een experimentele opstelling. Hierbij werden velden opgedeeld in “blokken” en elke behandeling werd in 4 parallellen aangelegd. Na de uitzaai werden de planten nauwgezet opgevolgd. Belangrijke waarnemingen waren aantal wortelknolletjes, opbrengst aan bonen, vochtgehalte van de zaden bij oogst en eiwitgehalte van de zaden.

De resultaten toonden aan dat er belangrijke jaar- en locatie-invloeden zijn. Dit is niet uitzonderlijk aangezien de bodembacteriën voor hun groei sterk afhankelijk zijn van het microklimaat rond het zaad, hetgeen in eerste plaats wordt bepaald door bodemtextuur (o.a. zandleem, zand) en weersomstandigheden (o.a. temperatuur, neerslag). Toch konden enkele belangrijke trends tussen de verschillende behandelingen worden waargenomen. Zo werd in iedere proef reeds tijdens het groeiseizoen vastgesteld dat de controle-behandeling (nr. 1), dus zonder stikstofbindende bacteriën, resulteerde in minder groene planten. Dit kan er op wijzen dat de planten zonder inoculatie een tekort aan N hebben, wat bij de geïnoculeerde objecten (nr. 2 t.e.m. 8) niet het geval was (Figuur 2). De plots zonder inoculatie hadden een lagere bonenopbrengst en sojabonen met een lager eiwitgehalte (Figuur 3). Het inoculeren van de zaden resulteert dus zeker in een meerwaarde voor sojateelt in onze regio.

Donker groene sojaplanten na inoculeren met Bradyrhizobium bacteriën (links) versus bleek groene sojaplanten zonder inoculeren (rechts)

Figuur 2. Donker groene sojaplanten na inoculeren met Bradyrhizobium bacteriën (links)
versus bleek groene sojaplanten zonder inoculeren (rechts)

Tussen de verschillende producten, dosissen en tijdstippen waren de verschillen eerder klein en niet altijd consistent aanwezig tussen de 4 proeven (Figuur 3). Globaal gezien behaalde het product Biodoz de beste resultaten. Bij dit product werden de hoogste aantallen wortelknolletjes geteld op de wortels, wat ook resulteerde in een hogere bonenopbrengst en een hoger eiwitgehalte.

Aantal wortelknolletjes van de 8 objecten uit de inoculatieproeven

Zaadopbrengst van de 8 objecten uit de inoculatieproeven

Eiwitgehalte van de 8 objecten uit de inoculatieproeven

Figuur 3. Aantal wortelknolletjes, zaadopbrengst en eiwitgehalte van de 8 objecten uit de inoculatieproeven (waarden geven gemiddeldes weer over locaties en jaren ± standaardfout).

Verder onderzoek moet uitwijzen welke factoren nu doorslaggevend zijn voor een succesvolle inoculatie, en hoe de landbouwer hierop kan inspelen.

© .