Engels raaigras (Lolium perenne L.) 2019

Printversie tabel Engels raaigras 2019

Belangrijkste kenmerken van rassen van Engels Raaigras - vroeg type1

Ras Jaar van opname Gemiddelde
datum van
aarvorming
Snelheid voorjaars-
ontwikkeling
(1-9)2
Roest-
resistentie
(1-9)2
Persistentie
(1-9)2
DS-opbrengst in
3e jaar3
Totale DS-opbrengst
(jaar 1+2+3)3
Diploïde rassen
INDIANA 2000 16 mei 8,0 6,9 7,6 102 103
Tetraploïde rassen
GIANT 2013 14 mei 7,5 6,1 7,1 97 98
DEXTER 1 2008 16 mei 8,0 6,6 7,0 102 100
MERLINDA 1985 17 mei 8,0 5,7 7,1 97 97
MELROMI 2017 18 mei 7,5 7,5 7,3 104 104

1 Overname van de volledige tabel uit de Belgische aanbevelende rassenlijst mits bronvermelding is toegestaan, namaak is verboden
2 Hoe hoger het cijfer, hoe beter
3 100 = gemiddelde van alle rassen op de Belgische rassenlijst

Belangrijkste kenmerken van rassen van Engels Raaigras - tussen type1

Ras Jaar van
opname
Gemiddelde
datum van
aarvorming
Snelheid voorjaars-
ontwikkeling
(1-9)2
Roest-
resistentie
(1-9)2
Persistentie
(1-9)2
DS-opbrengst in
3e jaar3
Totale DS-opbrengst
(jaar 1+2+3)3
Diploïde rassen
BOYNE 2014 20 mei 7,5 7,3 7,4 106 106
PREMIUM 2001 21 mei 7,5 5,9 6,8 100 99
FOXTROT 1998 28 mei 7,0 5,6 - - -
BARFORMA 2016 29 mei 7,0 6,4 7,2 99 101
COMPLOT 2010 29 mei 6,5 6,7 7,3 101 100
Tetraploïde rassen
GRACIOSA 2005 19 mei 7,0 6,8 6,9 94 95
ROY 1997 21 mei 7,0 6,6 6,8 94 96
KUFUGA 2013 22 mei 7,5 6,3 7,1 97 98
BESSER 2009 22 mei 7,5 7,2 7,3 102 102
CALIBRA 1998 23 mei 7,5 6,2 - - -
BIRTLEY 2012 23 mei 8,0 7,3 7,2 100 100
OVAMBO 1 2009 23 mei 7,5 7,2 6,6 100 99
BARCAMPO 2017 25 mei 7,5 7,7 6,5 104 103
BARFAMOS 2016 26 mei 7,0 7,4 7,2 99 101
MELPOWER 2014 27 mei 7,0 7,8 7,1 100 100

1 Overname van de volledige tabel uit de Belgische aanbevelende rassenlijst mits bronvermelding is toegestaan, namaak is verboden
2 Hoe hoger het cijfer, hoe beter
3 100 = gemiddelde van alle rassen op de Belgische rassenlijst

Belangrijkste kenmerken van rassen van Engels Raaigras - laat type1

Ras Jaar van
opname
Gemiddelde
datum van
aarvorming
Snelheid voorjaars-
ontwikkeling
(1-9)2
Roest-
resistentie
(1-9)2
Persistentie
(1-9)2
DS-opbrengst in
3e jaar3
Totale DS-opbrengst
(jaar 1+2+3)3
Diploïde rassen
MELWAYS 2007 31 mei 7,0 6,6 7,3 100 99
BOVINI 2010 1 juni 7,0 5,5 7,5 106 103
MELPRO 2008 2 juni 6,0 6,3 7,8 98 99
HUMBI 1 2009 3 juni 6,5 6,5 7,5 101 100
MELSMART 2017 4 juni 6.5 5,9 6,7 101 102
BARIMERO 2016 5 juni 6,5 6,2 6,7 97 98
CANCAN 1998 7 juni 5,5 5,8 7,0 102 101
Tetraploïde rassen
BARPASTO 2008 29 mei 7,0 7,4 7,5 97 98
MELTORO 2017 31 mei 7,0 7,5 7,2 104 101
MERKEM RvP 1996 1 juni 7,0 5,5 6,2 98 98
POLIM 2003 1 juni 7,0 7,0 7,1 100 99
DROMARA 2007 1 juni 7,0 8,0 7,1 100 101
MELPETRA 2008 2 juni 6,5 6,7 7,4 100 100
FLORIS 2003 3 juni 6,5 5,7 6,8 99 98
BARSINTRA 2005 5 juni 7,0 8,0 7,4 95 97
MELTADOR 2010 6 juni 7,0 6,7 7,4 98 98

1 Overname van de volledige tabel uit de Belgische aanbevelende rassenlijst mits bronvermelding is toegestaan, namaak is verboden
2 Hoe hoger het cijfer, hoe beter
3 100 = gemiddelde van alle rassen op de Belgische rassenlijst

In de mengsels die gebruikt worden om blijvend grasland aan te leggen is overwegend Engels raaigras aanwezig. Het heeft een sterke verdringingskracht zodat mengsels, waarin naast Engels raaigras ook Beemdlangbloem, Timothee en Veldbeemdgras zijn opgenomen bij intense begrazing en hoge N-bemesting, evolueren tot een eenzijdig bestand van Engels raaigras. Onder maairegime of bij een matige N-bemesting krijgen Beemdlangbloem en Timothee meer kans tot ontwikkeling.

Bij Engels raaigras is er een groot verschil in ontwikkelingsritme. De vroegste types schieten 5 à 6 weken vroeger in aar dan de late types en gezien het grote praktische belang onderscheiden wij 3 groepen: vroeg - tussen - laat (bovenstaande tabellen).

Vroege rassen hebben de vlugste voorjaarsontwikkeling zodat vroeg begraasd kan worden, maar de beweidingsruimte is beperkt: het gewas wordt vlug stengelig en de weideresten nemen toe. Maaien van de 1ste en/of 2de snede neemt deze bezwaren weg. In de voorbije 5 jaar brachten vroege en tussentype rassen onder maaivoorwaarden respectievelijk 4 en 2 % meer drogestof op dan late rassen.

Weidemengsels die bijna uitsluitend begraasd worden, zijn samengesteld uit tussen of late types van Engels raaigras, waarbij ervoor gezorgd moet worden dat de gebruikte rassen onderling niet te veel verschillen in datum van doorschieten. Dit laat een soepel graslandgebruik toe. Zowel begrazing van een bladrijk gewas of het maaien van energierijk voeder behoort tot de mogelijkheden.

Bij de raaigrassen bestaan naast de natuurlijke diploïden ook tetraploïde rassen. Zij hebben grotere zaden, dikkere stengels en bredere bladeren met een donkere kleur. De opbrengst aan verse massa per ha is groter bij de tetra's maar door het lager drogestofgehalte (1 à 1,5 %) verschilt de drogestofopbrengst niet zo veel tussen tetra’s en diplo’s. In vergelijking met de diploïden, hebben de tetra's over het algemeen een snellere opkomst, een snellere groeihervatting na de winter en een lagere vatbaarheid voor roest. Omdat tetra's een wat minder gesloten zode vormen, zijn zij wellicht iets toleranter dan de diploïde rassen voor andere soorten.

Tetraploïden worden korter afgegraasd dan diploïden zodat de weideresten na begrazing kleiner zijn en het bloten of namaaien van de weide minder frequent moet gebeuren. Zij gaan ook korter de winter in wat de wintervastheid meestal ten goede komt.
In de praktijk worden tetraploïden meestal samen met diploïde rassen uitgezaaid; hiermee wordt een goed gesloten zode en een goede grasopname in de nazomer nagestreefd. Tetraploïden worden aan 45 kg/ha uitgezaaid en diploïden aan 30 kg/ha.
Tetraploïde rassen verdragen het maaien zeer goed, zodat deze groep in zijn totaliteit in deze rassenvergelijking iets beter naar voor komt dan dat dit in begrazingsproefvelden het geval zou zijn.

©Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) - - Contact
Vermenigvuldiging of overname van gegevens toegestaan mits duidelijke bronvermelding.