Nieuwsoverzicht

Huidige artikelen | Categories | Zoek

Nieuwsgolf december 2019

Ammoniakvorming bij pluimvee aan de bron aanpakken. Een reductie in ruweiwit van het voeder met 10 tot 20% levert veelbelovende resultaten.

Een reductie van 10 tot 20% in het gehalte ruw eiwit van het voeder tijdens de groeier- en finisherfase leverde veelbelovende resultaten op gebied van ammoniakconcentraties in de vleeskuikenstallen. Dat blijkt uit de eerste resultaten van het VLAIO-project KUIKEMIS, dat één jaar geleden van start ging en streeft naar een meer duurzame pluimveehouderij door ammoniakconcentraties aan de bron aan te pakken.

ammoniakvorming bij pluimveeKippen nemen stikstof op uit het voeder en gebruiken dit voor hun onderhoud en groei. Onverteerde en overtollige stikstof wordt uitgescheiden via mest en urinezuur. Door microbiële reacties (afhankelijk van o.a. zuurtegraad, temperatuur en vocht) wordt dit (deels) omgezet tot het gasvormige ammoniak (NH3), wat op zijn beurt de stal kan verlaten. Er zijn twee mogelijke strategieën om ammoniakemissies uit de stal te beperken. Ofwel neem je maatregelen nádat ammoniak gevormd werd in de stal, bv. door luchtwassers te installeren die de uitgaande lucht behandelen (end-of-pipe strategie). Ofwel probeer je de vorming van ammoniak in de stal te voorkomen door wijzigingen in het management aan te brengen wat betreft voeder, inrichting en ventilatie (brongerichte strategieën). Het vier jaar durende VLAIO-project KUIKEMIS dat ILVO samen met partners Proefbedrijf Pluimveehouderij en Innovatiesteunpunt Boerenbond startte in september 2018, koos voor deze laatste, innovatieve aanpak.

Tijdens een eerste proef bestudeerde men het effect van een verlaging in ruweiwit(RE)-gehalte en van de voedervorm op de stikstofexcretie en op de ammoniakemissies bij vleeskuikens. Er werd gekozen voor drie voeders met een verschillend RE-gehalte: een controlevoeder, een voeder met ± 10% RE-reductie en een voeder met ± 20% RE-reductie. Deze voeders werden ofwel als meel ofwel als pellets aangeboden. Alle voeders werden in 3 fases gegeven (starter: dag 0 – 10, groeier: dag 10 – 28 en finisher: dag 28 – 39). Bij de startervoeders werd geopteerd om nog géén verlaging in RE-gehalte door te voeren. De excreties in deze eerste 10 dagen zijn immers miniem en het belang van een goede start voor alle dieren kreeg prioriteit. Bovendien werd er ook voor gezorgd dat de verteerbare aminozuurverhoudingen gelijk bleven tijdens alle fases om zo te voldoen aan de behoeftes van de dieren. Hiervoor werden synthetische aminozuren toegevoegd waar nodig.

Resultaten

Algemeen kan gezegd worden dat de prestaties (groei, voederconversie) minder goed scoorden bij meel dan bij pellets (wat ook te verwachten was). Bij de pellets waren er gelijkaardige prestaties tussen de controlegroep en de 10% RE-reductiegroep; maar minder goede prestaties eens er 20% minder RE werd ingemengd in het voeder. Het slachtrendement lag lager bij meel dan bij pellets, maar er was geen significant verschil te merken tussen de verschillende RE-gehaltes. Bij de groep met 10% RE-reductie was de vleeskwaliteit gelijkaardig aan die van de controlegroep. Bij de groep met 20% RE-reductie was er echter bleker vlees te zien met een hogere scheurkracht (taaier) en met meer dooiverlies en dit zowel bij de meel- als de pelletvoeders.

In de proef werd ook de strooiselkwaliteit gescoord na elke fase, door middel van een 5-punten scoresysteem (0 = droog tot 4 = nat & kleverig). Naarmate de tijd vorderde, werd de kwaliteit van het strooisel steeds slechter. Bij de pellets was er wel een beduidend slechtere strooiselkwaliteit te zien dan bij meel. Doordat de kippen meer voeder opnemen bij de pellets, nemen ze ook meer water op. Daardoor krijgen ze nattere mest en dat zorgt voor een slechtere strooiselkwaliteit. Een reductie in RE zorgde er wel voor dat de strooiselkwaliteit langer goed bleef. De scores van de voetzool- en haklaesies waren gelijkaardig aan de strooiselscores. Ook hier waren betere resultaten te zien bij meel t.o.v. pellets en bij een lager RE-gehalte in het voeder.

De ammoniakconcentraties werden telkens op strooiselniveau, op dag 30 en dag 38 op drie punten per hok gedurende 10 minuten per meetpunt. Op beide tijdstippen werden significant hogere NH3-concentraties gemeten bij de controlegroep t.o.v. de reductiegroepen. Tussen de 10% RE-reductie- en de 20% RE-reductiegroep was geen verdere daling te zien. Deze ammoniakconcentraties waren zowel voor meel als pellets gelijkaardig.

Uit deze proef kunnen we dus besluiten dat meelvoeders leiden tot een betere strooiselkwaliteit en tot minder voetzool- en haklaesies. Daarentegen zorgen meelvoeders voor slechtere prestaties en een lagere karkasopbrengst. Een reductie van 10% in RE (in groeier en finisher) behoort zeker tot de mogelijkheden, zowel in meel- als pelletvoeders. De reductie in RE verhogen tot -20% gaf geen bijkomende significante verminderingen in ammoniakconcentraties. Het gaf echter wel aanleiding tot een mindere vleeskwaliteit (bleker vlees met meer dooiverlies) en ook mindere prestaties.

Conclusie

Het verlagen van het RE-gehalte in het voeder (in groeier en finisher) met 10% heeft positieve effecten op zowel prestaties- als dierenwelzijnsparameters. Ook de ammoniakconcentraties lijken hierdoor te verlagen. Kanttekening hierbij is wel dat de verteerbare aminozuurverhoudingen behouden moeten blijven, bv. door toevoeging van synthetische aminozuren. In dat geval is het verlagen van het RE-gehalte in het voeder een veelbelovende voederstrategie om de ammoniakconcentraties in de stal te verlagen.

Project: KUIKEMIS
Looptijd: 2018 – 2022
Financiering: Agentschap Innoveren en ondernemen
Samenwerking: Proefbedrijf Pluimveehouderij, Innovatiesteunpunt
Contact: evelyne.delezie@ilvo.vlaanderen.be