Pers en media

VILT - maandag 26 november 2012

Onderzoek | Ruimtelijke planning op het platteland: Welke gebieden zijn cruciaal voor de landbouw?

“Vrijwaar ruimte voor landbouw in Vlaanderen!”. Dat was onlangs nog één van de adviezen die de SALV gaf aan minister van Landbouw Kris Peeters als bijzonder punt van beleidsaandacht. Bij ILVO is zopas een doctoraat afgewerkt rond het thema ‘ruimte voor landbouw’. Eva Kerselaers van de eenheid Landbouw en Maatschappij vertrekt vanuit de vaststelling dat er door de oprukkende verstedelijking en de veranderende verwachtingen ten aanzien van het platteland almaar meer actoren lonken naar de schaarse open ruimte in Vlaanderen. Eén zeer concreet gevolg is dat landbouwgrond wordt ingenomen door andere landgebruiken, zoals bebouwing, industrie, natuur of bos. Landbouwers staan liever geen grond af, terwijl het voor andere betrokkenen vaak de enige optie is om hun eigen doelstellingen te realiseren. Kerselaers boog zich over de vraag welke gebieden zeker behouden moeten worden voor landbouw.

De strijd om de schaarse open ruimte in Vlaanderen creëert een spanningsveld en heel wat ontevredenheid. En tegelijk de behoefte om constructiever en op basis van objectievere criteria met planningsprocessen op het platteland om te gaan. Om te achterhalen waar de belangrijkste knelpunten in de rurale planningsprocessen zitten, interviewde Kerselaers verschillende landbouwers en medewerkers van landbouw- en natuurorganisaties, provincie- en gemeentebesturen en administraties van landbouw, ruimtelijke ordening, natuur en erfgoed.

Ze polste naar hun ervaringen met deze planningsprocessen. Vaak ging het om processen waarbij landbouwgrond zou ingepalmd worden door natuur of bos, maar evengoed kwamen havenuitbreiding, overstromingsgebieden of industriegebieden aan bod. Uit deze interviews bleek dat er aan de zijde van landbouwers en hun organisaties veel ontevredenheid is over de inname van landbouwgrond. Het gebrek aan inspraak door landbouwers en het landbouwbeleid, aanslepende onzekerheid in gebieden waar een proces loopt en onduidelijkheid over de compensatiemechanismen zijn daarbij belangrijke factoren.

Door de andere actoren zoals betrokkenen vanuit natuur en ruimtelijke ordening, wordt dan weer geklaagd over een gebrek aan langetermijnvisie op de ontwikkeling van de landbouw in Vlaanderen en de moeilijkheid om tegemoet te komen aan de verschillende maatschappelijke noden zoals economische ontwikkeling, mobiliteit, recreatiemogelijkheden en behoud van biodiversiteit als de landbouwsector niet mee wil. Het water lijkt dan ook vaak erg diep, hoewel er ook voorbeelden bestaan van goede samenwerking.

Een instrument ter ondersteuning
Gegeven deze moeilijke situatie startte het Beleidsdomein Landbouw en Visserij met de ontwikkeling van een instrument dat beslissingen omtrent landgebruik op het platteland kan ondersteunen. De centrale vraag daarbij was welke gebieden zeker behouden moeten worden voor landbouw? Om de wetenschappelijke basis van dit instrument, de landbouwimpactstudie of LIS, te verzekeren werd de medewerking van ILVO gevraagd.

“We hebben eerst de bruikbaarheid bekeken van de bestaande instrumenten”, zegt Eva Kerselaers van ILVO. Naast de landbouwimpactstudie waar de landbouwadministratie aan werkte, is dat ook de landbouwgevoeligheidsanalyse van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM). “Dit is een gelijkaardig instrument dat al gebruikt werd om de waarde van landbouwgrond in Vlaanderen te differentiëren. Uit een vergelijking van bestaande projecten waar de instrumenten ingezet waren, bleken er vooral problemen te zijn met de consistentie. Zo werden in de verschillende projecten niet altijd dezelfde criteria gebruikt om de landbouwwaarde te bepalen. Er was dus wel nood om te onderzoeken hoe deze instrumenten versterkt konden worden.”

Het resultaat van dit onderzoek is geen nieuw instrument dat naast de bestaande instrumenten komt te staan. De bedoeling is dat de geformuleerde voorstellen voor verbetering gebruikt worden om zowel de landbouwimpactstudie als de landbouwgevoeligheidsanalyse technisch te verbeteren. Daarnaast zorgt het onderzoek ook dat er meer kennis is over de manier waarop de instrumenten best ingezet worden.

Hoe werkt het instrument?
Het algemene principe van de bestaande instrumenten en de aangepaste versie is gelijk. Er wordt voor elk perceel in landbouwgebruik gekeken hoe het scoort op een aantal kenmerken of criteria. Voorbeelden van zo’n criteria zijn de geschiktheid van de bodem, de kans op overstroming, de gewestplanbestemming en de afstand van het perceel tot de bedrijfszetel. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van beschikbare databronnen en kaartmateriaal, die verzameld worden in een geografisch informatiesysteem (GIS). Door de scores van deze criteria op te tellen, bekom je een globale waardering voor elk perceel. Daarbij kan je bepaalde criteria zwaarder laten doorwegen dan andere, omdat niet alle criteria even belangrijk zijn. Om de waardering van de verschillende percelen overzichtelijk voor te stellen, wordt een indeling in klassen gemaakt en die klassen worden als kleuren voorgesteld op een kaart. Op die manier krijg je snel een ruimtelijk overzicht van de aanwezigheid van landbouw in een gebied en van de waarde van de landbouwpercelen voor de ontwikkeling en het voortbestaan van de landbouw. Het instrument helpt beleidsmakers om prioriteiten te stellen omtrent het behoud van landbouwgrond.

Bron en lees meer: VILT
Contactpersoon: Eva Kerselaers