Pers en media

VILT - maandag 28 maart 2011

Interview | Erik Van Bockstaele - "Ons onderzoek is soms te vooruitstrevend"

Klimaatverandering, prijsvolatiliteit, strengere bemestingsnormen,… Onderzoek kan een zeer belangrijke bijdrage leveren om op deze uitdagingen een antwoord te vinden. Maar is de wetenschap zich voldoende bewust van deze sleutelrol? Volgens Erik Van Bockstaele, administrateur-generaal van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) is dat wel degelijk het geval. “Soms stellen we zelfs vast dat ons onderzoek te vooruitstrevend is.”

Van waar haalt ILVO zijn werkingsmiddelen?
Erik Van BockstaeleErik Van Bockstaele: De helft van ons budget komt uit de basisdotatie van de Vlaamse overheid. Dit vormt zowat onze ruggengraat. Ongeveer 30 procent halen we uit allerhande fondsen en opdrachten van de Vlaamse en federale overheid. Onderzoek dat we doen in samenwerking met de private sector levert 10 procent op en de laatste 10 procent komt via dienstverlening zoals labo-analyses. Met dit budget stellen we zo’n 550 mensen tewerk, waaronder zo’n 260 onderzoekers. De personeelskost bedraagt dan ook 70 procent van ons totaal budget. Twintig procent gaat naar werkingsmiddelen en nu we ons eigen patrimoniumbeheer opnieuw zelf in handen hebben, is ongeveer 10 procent van onze middelen gereserveerd voor investeringen.

Hoe wordt bepaald welk onderzoek uitgevoerd wordt?
Een jaar geleden hebben we de resultaten van een systematische en grondige denkoefening over de toekomst van het landbouwonderzoek in Vlaanderen bekendgemaakt. ILVO2020 tracht een beeld te geven van de uitdagingen die onze onderzoekers en andere stakeholders op de landbouwsector af zien komen binnen tien tot vijftien jaar. Daarbij werden negen onderzoeksdomeinen afgebakend, zoals duurzame plantaardige productie, landbouw in een wijzigend klimaat, dynamisch landelijk gebied en competitieve landbouwsystemen. Bij het uitschrijven van die visie hebben wij rekening gehouden met drie soorten landbouw: beheerlandbouw, nichelandbouw en grootschalige landbouw. Op gronden waar milieudoelstellingen gehaald moeten worden, is nog landbouw mogelijk. Onderzoek omtrent de relatie landbouw-natuur is hier aangewezen, bijvoorbeeld de bruikbaarheid van het gras uit beheerlandbouw. Bij landbouwbedrijven die produceren voor een lokale nichemarkt is de kennis van de teler zeer belangrijk. Vaak gaat het ook om arbeidsintensieve teelten. Voor nicheteelten is er bovendien weinig interesse van grote multinationals om hierin te investeren. Wij trachten dit op te vangen door bijvoorbeeld zelf aan veredeling of verwerkingsonderzoek te doen. Tenslotte zijn er ook bedrijven die steeds groter en gespecialiseerder worden en produceren voor een wereldmarkt. Voor elk van deze drie soorten landbouw trachten wij onderzoek te doen en de uitdagingen op een multidisciplinaire manier aan te pakken.

Hoe bedoelt u?
In tegenstelling tot de CLO-periode is er nu binnen ILVO veel meer samenwerking tussen onze onderzoekseenheden Plant, Dier, Technologie & Voeding en Landbouw & Maatschappij. Per eenheid vind je onderzoekers met een andere achtergrond. Omdat zij samen kijken naar een probleem, krijg je een veel rijker en breder onderzoek. Dat is de grote sterkte van ILVO in vergelijking met andere onderzoeksinstellingen.

Toch hoor je vaak als kritiek op landbouwonderzoek dat de onderzoekers meer bezig zijn met hun wetenschappelijke carrière dan met de Vlaamse land- en tuinbouw.
Onderzoek gebeurt op verschillende niveaus. Universiteiten doen vooral fundamenteel onderzoek, terwijl praktijkcentra zich met heel praktische experimenten bezighouden. ILVO zit tussen de twee: wij doen onderzoek op middellange termijn. Wij publiceren daarover in internationale tijdschriften en we delen onze expertise via vakbladen en andere kanalen. De Vlaamse overheid verplicht ons trouwens om een goed evenwicht te bewaren tussen beiden. En dat evenwicht bereiken we elk jaar probleemloos. Ook bij projectonderzoek waarvoor we externe financiering ontvangen, worden steeds meer communicatie-eisen gesteld. Dat was in het verleden soms anders.

Hebben de ILVO-onderzoekers wel voldoende voeling met de praktijk om te bepalen aan welk onderzoek de landbouwsector nood heeft?
Onze onderzoekers zijn niet wereldvreemd, hè. ILVO heeft ook een raadgevend comité met vertegenwoordigers uit heel de sector. Twee keer per jaar treden wij ook in overleg met de administratie, het beleid en met andere stakeholders. Daarnaast nodigen we geregeld boeren uit voor een bezoek of voor discussiegroepen. Zo kwamen hier een paar weken geleden nog 200 siertelers over de vloer. Wij luisteren op zo’n moment ook heel aandachtig naar wat bij hen leeft. Maar het is een illusie om te denken dat wanneer een acuut probleem zich voordoet, dat we dan plots alles kunnen laten vallen om ons daarop te concentreren. Onderzoek werkt zo niet. Onze beleidslijnen worden op middellange termijn uitgezet.

Is het onderzoek dan voldoende afgestemd op de uitdagingen waar de landbouw vandaag de dag voor staat?
Ik denk niet dat zich op dat vlak een probleem stelt. Uiteraard is 15 tot 20 procent van ons onderzoek gericht op kennisopbouw. Stel dat we de koudestress bij planten willen aanpakken, dan is het belangrijk dat we eerst een aantal eco-fysiologische aspecten van het gewas zeer goed kennen vooraleer een cultivar ontwikkeld kan worden die bij een lagere temperatuur eenzelfde groei vertoont. Voor dergelijk onderzoek doen wij heel vaak beroep op doctoraatsstudenten. Daarnaast voeren wij beleidsonderbouwend onderzoek uit: wij gaan uitzoeken wat een veranderende regelgeving betekent in de praktijk. Denk maar aan de veldproef met ggo-maïs die we vorig jaar deden om de co-existentieregels te testen en waarvan de resultaten binnenkort worden bekendgemaakt. Hieruit moet duidelijk worden of de voorgestelde regels haalbaar zijn in de praktijk, of de wetgeving kan vereenvoudigd worden, enz. Voor bepaalde actuele vragen kunnen we vaak terugvallen op bestaand onderzoek. In het kader van het nieuwe mestactieplan is het belangrijk om te melden dat wij onderzoek hebben dat aantoont dat een groenbedekker inzaaien na maïs zeer goede resultaten oplevert voor het nitraatgehalte in de bodem. Omdat late rassen van maïs productiever zijn, worden zij steeds meer gebruikt. Maar door de late oogst is het vaak te laat om nog een groenbedekker in te zaaien en dit zorgt voor een verarming van de bodem. Langs de andere kant moeten we ook opmerken dat ons onderzoek soms te vooruitstrevend is.

Te vooruitstrevend?
Eind de jaren tachtig was ILVO al bezig met het opmaken van mestbalansen op bedrijfsniveau en met voederefficiëntie. Ook rond energiegewassen deden wij al onderzoek voordat dit een maatschappelijk thema werd. Soms merk je dat de geesten nog niet rijp zijn om een nieuw idee ingang te laten vinden. Alle boodschappen zijn ook niet altijd even gemakkelijk over te brengen naar de landbouwers. Soms moeten bepaalde technieken gestimuleerd of verplicht worden vooraleer ze ingeburgerd geraken, ook al is het voordeel voor de boer duidelijk wetenschappelijk aan te tonen. Denk maar aan vruchtafwisseling of bodembedekking. Ook het idee dat er een verschil is tussen een economisch optimum en een teelttechnisch optimum krijgen we maar moeilijk uitgelegd. Nochtans heeft onderzoek uitgewezen dat de laatste liter melk of de laatste kilo graan vaak meer kost dan hij opbrengt. We moeten ook vaststellen dat projectonderzoek met het oog op externe financiering soms wordt afgekeurd, terwijl het later toch bijzonder actueel bleek.

Worden onderzoeksresultaten wel voldoende gecommuniceerd naar de land- en tuinbouwers?
Onze onderzoekers zijn er in de eerste plaats om onderzoek te verrichten. Ze bezitten niet altijd de communicatieskills die nodig zijn om concrete onderzoeksresultaten naar de boer of een groot publiek te vertalen. Vorig jaar hebben we sterk geïnvesteerd in een goed uitgebouwde communicatiecel. Die zal intern actief op zoek gaan naar waardevolle informatie om naar buiten te brengen. En als we onze nieuwe communicatiedirecteur Greet Riebbels mogen geloven, is die waardevolle informatie voorhanden. Toen zij vorig jaar bij ons in dienst trad, was haar eerste reactie dat de goudklompjes hier voor het rapen liggen. De communicatiecel zal er nu voor zorgen dat dit ook voor de buitenwereld duidelijk wordt. Zo is er de afspraak met VILT om elke maand de resultaten van recent onderzoek te verspreiden (zie rubriek ‘Onderzoek’, nvdr). We zullen ook nauwer gaan samenwerken met vakbladen en in Landgenoten krijgen we binnenkort een eigen rubriek waarin we rechtstreeks met alle land- en tuinbouwers kunnen communiceren.

Is het geven van voorlichting aan boeren in het takenpakket van de onderzoekers opgenomen?
Niet expliciet, maar velen doen het wel. Onderzoek blijft onze allereerste taak, maar dat mag niet uitsluiten dat wij onze informatie ook naar buiten brengen. Vaak verleent ILVO samenwerking aan initiatieven van voorlichters of van praktijkcentra. We stimuleren onze onderzoekers in die zin ook. Zo hebben we een peter- en meterschap in het leven geroepen waarbij onze senior onderzoekers worden aangemoedigd om een jonge onderzoeker mee te nemen wanneer ze voordrachten geven. Op die manier kunnen ze steeds grotere delen van de presentatie overnemen van hun ervaren collega. Dat geeft hen de kans om te groeien en ze worden niet meteen afgeschrikt om voor een publiek van praktijkmensen te spreken.

ILVO heeft lang te kampen gehad met huisvestingsproblemen. Zijn die nu van de baan?
Sinds kort heeft ILVO zelf zeggenschap over de investeringsgelden voor gebouwen. Sinds de regionalisering van landbouw was er nauwelijks nog geïnvesteerd in onze infrastructuur waardoor zowel de huisvesting van de onderzoekers als onze onderzoeksinfrastructuur sterk verouderd zijn. Daar zal nu verandering kunnen in komen, maar de historische achterstand is groot. Over een paar maanden moet onze nieuwe onderzoeksserre klaar zijn en ook onze veestallen hebben nood aan vernieuwing. Daarnaast gaan we onze pilootfabriek volledig moderniseren in samenwerking met Flanders FOOD. Dat is de competentiepool van de Vlaamse voedingsindustrie waarbij bedrijven uit de voedingssector terecht kunnen voor product- en procesinnovaties. In onze fabriek komt er onder meer een hoogtechnologische diepvries- en vleesverwerkingslijn waar samen met voedingsindustrie onderzoek naar innovatieve voedselverwerkende processen zal gebeuren. Dit moet ons ook toelaten om de wisselwerking tussen landbouw en verwerkende industrie te maximaliseren. De mogelijkheden zijn immers enorm: Hoe kan je kaas maken van melk met een hogere omega-3-waarde? Kan het buitenste groen van prei gevaloriseerd worden in brood of pasta? Wat kunnen de kleine of tweede keus appels en peren ons toch nog opleveren? Op die manier dragen we bij tot een grotere toegevoegde waarde voor zowel de boer als de voedingsindustrie. Anderzijds willen we ook een brug vormen tussen wat de consument vraagt en wat geproduceerd wordt. Als de voedingsindustrie stelt dat er in ons land geen tarwe te vinden is waarmee speculaas gemaakt kan worden, dan trachten wij te achterhalen met welke tarwe dit wel gaat en hoe die geteeld moet worden zodat er in Vlaanderen ook een aanbod kan worden ontwikkeld.

Hoe ziet u de landbouw in de toekomst evolueren?
Ik denk dat het opportuun is dat gespecialiseerde bedrijven in de toekomst meer gaan samenwerken in clusters. Wat voor het ene bedrijf een probleem is, kan voor het andere een oplossing betekenen. Zo kan ‘afval’ van het ene bedrijf door een ander bedrijf gebruikt worden als grondstof, denk maar aan mest. Ook duiken er steeds meer problemen op omdat er onvoldoende vruchtafwisseling is. Het aardappelcystenaaltje duikt opnieuw vaker op, maar ook maïs geniet van een positief effect bij vruchtafwisseling. Ook in de sector van de vollegrondsgroenten waar het afval soms terug naar het veld wordt gevoerd, zien we dat er geen onderbreking meer is van de ziektecyclus waardoor de ziektedruk sterk toeneemt. Op die manier krijg je op korte of lange termijn hoe dan ook problemen. Waar we vroeger veel meer gemengde bedrijven hadden, zou het goed zijn om te komen tot gemengde clusters van gespecialiseerde bedrijven. Die zullen gezamenlijk gezien net als gemengde bedrijven ook een stuk schokbestendiger zijn dan de gespecialiseerde bedrijven. De landbouw van de toekomst zal in mijn ogen een ecologisch intensieve landbouw moeten zijn. Daaronder versta ik landbouw die maximaal opbrengt, ook financieel, maar die rekening houdt met ecologische principes. Waar er ruimte is om aan intensieve ecologische landbouw te doen, daar moet een optimale rendabele opbrengst gerealiseerd worden. Waar dit niet kan, moeten andere doelstellingen primeren met daaraan gekoppeld een vergelijkbaar inkomen.

Bron: VILT
Contactpersoon: Erik Van Bockstaele