Pers en media

VILT - maandag 10 januari 2011

Onderzoek | "Restproducten bio-ethanol goed alternatief voor soja"

Landbouwers doen er goed aan om verder te kijken dan de klassieke producten als ze het rantsoen van hun dieren samenstellen. Zo blijken ook de restproducten van de bio-ethanol-industrie interessant als krachtvoer, want gunstig qua voederwaarde en competitief qua prijs-kwaliteit. Toch zijn er nog meerdere onzekerheden. De prijs kan evolueren en de kwaliteit en voederwaarde durft schommelen. Dat zegt Daniël De Brabander van de eenheid Dier van het ILVO (Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek).

bijproducten bio-ethanol als krachtvoederDe onderzoeksgroep van De Brabander bestudeert de verschillende bio-ethanol-bijproducten die recent op de markt verschijnen. Het aanbod is immers divers en de nood aan wetenschappelijke kennis groot. Op het ILVO loopt daarom een vierjarig wetenschappelijk project en op praktijkbedrijven worden demoproeven uitgevoerd.

Bijproducten uit de voedingsindustrie, zoals pulp uit de suikerfabrieken, draf uit de brouwerijen of maïsgluten uit de zetmeelindustrie zijn al jaar en dag gekend bij de boeren. Maar wat voor bijproducten levert de bio-ethanol-industrie precies?
Daniël De Brabander: Sinds een jaar of twee zien we een snelle ontwikkeling van de zogenaamde eerste-generatie-productie van bio-ethanol in ons land. In de Gentse haven haalt Alco Bio Fuel ethanol uit tarwe, vermengd met maïs, triticale of gerst. Na fermentatie van het graan verkrijgen ze naast bio-ethanol een soort draf en een ingedikt vloeibaar product (solubles). Beide producten die men dan respectievelijk ‘Protistar’ en ‘Protisyr’ noemt, kunnen als dusdanig als veevoeder dienen. Maar het overgrote deel wordt samengevoegd en gedroogd. Men spreekt dan wereldwijd van DDGS (dried distillers grains with solubles). Alco Bio Fuel gaf het de commerciële naam ‘Protifeed’.

In Aalst heb je de zetmeelproducent Syral (het vroegere Amylum): nadat tarwe ontdaan wordt van de zemelen, wordt uit de bloem de gluten en het zetmeel geïsoleerd. Uit hun minderwaardig C-zetmeel halen ze via fermentatie ethanol. Hier wordt dus een bijproduct van de tarweverwerking gefermenteerd. Wat overblijft, is een vloeibaar voeder dat men bij Syral ‘Alcomix’ noemt en dat onder de naam ‘Tarweferm’ wordt gecommercialiseerd. Een deel van de Alcomix mengen ze met zemelen en drogen ze tot de krachtvoedergrondstof ‘Amyplus 01’.

Biowanze in het Waalse Wanze haalt ethanol uit de vergisting van tarwezetmeel dat soms gemengd wordt met bietensiroop. Het procédé is gelijkaardig aan dat bij Syral, maar de zemelen gebruiken ze daar wel als brandstof. Bijgevolg is er daar alleen één vloeibaar bijproduct, namelijk ‘ProtiWanze’.

Hoe belangrijk is de hoeveelheid van deze producten?
We spreken over een aanzienlijke massa: Alco Bio Fuel uit Gent bracht het jongste jaar 100.000 ton DDGS op de markt. In Nederland staat zelfs een vergelijkbare productie-eenheid die 360.000 ton DDGS commercialiseert. Uit Syral Aalst vertrok in 2010 ruim 30.000 ton Alcomix, dat moet je wel delen door ruim drie als je het uitdrukt in droge stof. En Wallonië (BioWanze) is goed voor maar liefst 250.000 ton ProtiWanze op jaarbasis (ook te delen door drie om het droge stofgewicht te kennen). Daarnaast heeft men nog de andere bijproducten zoals de Protisyr en de Protistar van Alco Bio Fuel en Amyplus van Syral.

Vergelijk die cijfers met wat de Belgische veevoedermarkt op een jaar nodig heeft van dé traditionele eiwitbron voor krachtvoeder ‘sojaschroot’: dat is 1 miljoen ton. Zoals je weet wordt deze soja ingevoerd, hoofdzakelijk vanuit Zuid-Amerika. In de EU wordt de huidige productie van DDGS op 3,7 miljoen ton geraamd. In de VS draait dat rond 35 miljoen ton. Dan concludeer je dat de bijproducten van bio-ethanol zeer belangrijk worden in dierenvoeding. De kwestie is natuurlijk om te bepalen op welke manier, met welk effect, voor welke diersoorten (éénmagigen of herkauwers), en voor welk percentage van het rantsoen deze producten kunnen aangewend worden in de veehouderij.

En het resultaat daarvan is?
Vermits het onderzoek nog volop bezig is, kan ik nu nog geen definitieve conclusies trekken. In de VS zijn al wat interessante studies afgerond, maar dan voornamelijk rond DDGS uit bio-ethanol-industrie op basis van maïs. De voerderwaarde daarvan verschilt natuurlijk met bijproducten die als basis tarwe hebben. In ons onderzoek op Belgische, Franse en Duitse DDGS stellen we nu al een grote variatie in voederwaarde vast. Dit kan te wijten zijn aan de graankeuze bij de bio-ethanolproducenten (uitgangsgraan), aan de mengverhouding van de beide uitgangsproducten (draf, solubles) en aan de droogtemperatuur. Op het ILVO concluderen we dus dat je niet zomaar kan werken met een gemiddelde waarde uit een voedertabel van het algemeen product DDGS. Het is één van de bedoelingen van ons onderzoek een methode op punt te stellen om de voederwaarde van een bepaalde partij, aan de hand van chemische en fysische karakteristieken, met een voldoende nauwkeurigheid in het labo te kunnen schatten.

Wat we wel al stellig kunnen zeggen, is dat al deze bijproducten, met uitzondering van Amyplus, bijzonder rijk zijn aan eiwit. Het eiwitgehalte varieert (op droge stof basis) ruwweg tussen 26 en 37 procent. Vergelijk dit met tarwe die 13 procent ruw eiwit in droge stof bevat, dan is de conclusie gauw getrokken: de bio-ethanol-bijproducten kunnen zeker gedeeltelijk het sojaschroot in het rantsoen vervangen. Daarenboven hebben de bijproducten een hoge energiewaarde. Dit is deels toe te schrijven aan het feit dat zij tot driemaal meer vet bevatten dan het uitgangsgraan. Ruw eiwit zegt echter niet alles. Belangrijk hierbij is bijvoorbeeld voor rundvee in welke mate en waar (pens/dunne darm) het eiwit verteerd wordt. Bij varkens en pluimvee is het aminozurenpatroon van het eiwit dan weer belangrijk. Zijn er limiterende aminozuren die moeten gesupplementeerd worden om tot dezelfde dierlijke prestaties te komen?

De wetenschap moet dus verder gaan dan het product ontleden in het laboratorium?
Inderdaad, we gaan op het ILVO de voederwaarde van alle bijproducten in vivo onderzoeken, dat wil zeggen bij het dier zelf bepalen, zowel bij koeien als bij varkens en pluimvee. Dit betekent een groot aantal verteringsproeven, waarbij we nagaan hoeveel het dier van elke voedingsstof opneemt en hoeveel er met de mest wordt uitgescheiden. We meten dus het verschil tussen wat erin gaat en eruit komt. Voor het eiwit worden nog andere technieken op het dier toegepast en gaan we tot het stadium aminozuur. Nemen we als voorbeeld de bepaling van de eiwitwaarde (darm verteerbaar eiwit) bij koeien. Hiertoe beschikken we over enkele koeien die voorzien zijn van een pensfistel en een fistel die vóór de dunne darm is aangebracht. Om de eiwitvertering in de pens te achterhalen brengen we via de pensfistel een aantal nylonzakjes met het te onderzoeken voeder in de pens. Na 3, 6, 12, 24,… uur worden er enkele zakjes uitgehaald en bepalen we hoeveel eiwit er verdwenen is. Residu na 12 uren verblijf in de pens wordt vervolgens in nylonzakjes in de darmfistel gebracht. Deze worden vervolgens in de mest opgevangen. Zo komen we te weten hoeveel eiwit er vanaf de dunne darm verdwenen - dus verteerd - is.

En hoe kom je te weten hoever we met die bijproducten in de dierenvoeding mogen gaan?
Op basis van de eigenschappen van de producten kunnen we ruwweg een idee geven van het aan te bevelen inmengpercentage. We vermoeden dat runderen meer verdragen dan vleesvarkens en deze laatste meer dan vleeskippen. Maar we gaan dit bepalen in proeven waarin verschillende DDGS-niveaus worden vergeleken, zowel bij koeien, vleesvarkens als vleeskippen. Uit de demoproeven die we al achter de rug hebben op de praktijkbedrijven, kunnen we besluiten dat koeien met goed zoötechnisch gevolg 10 kg van de vloeibare bijproducten verdragen, dit komt overeen met 3 kg droge stof. We constateerden ook dat 3 kg droge stof van het inkuilbare product Protistar dezelfde melkproductieresultaten oplevert als dezelfde hoeveelheid bierdraf.

Het zijn dus goede voedermiddelen, maar zijn ze ook goed voor de portemonnee van de boer?
Ook dat tracht ILVO wat op te volgen, al zijn we natuurlijk geen economen en kunnen we niet de toekomstige prijsfluctuaties voorspellen. Om een prijs goed te kunnen beoordelen, moeten we een duidelijk zicht hebben op de voederwaarde en op het effect dat die producten uitoefenen op de dierlijke prestaties. Deze aspecten zijn nog volop in onderzoek. Voor DDGS als krachtvoedergrondstof of krachtvoedervervanger kan men op termijn verwachten dat de prijs in evenwicht zal zijn met deze van de andere grondstoffen. Is deze lager, dan wordt de vraag groter dan het aanbod en gaat de prijs bijgevolg toenemen. Gebaseerd op geraamde voederwaarden is de huidige prijs van Protifeed (DDGS) uitgedrukt per voederwaarde-eenheid voor melkvee nog wat lager dan deze van andere courante grondstoffen zoals sojaschroot, tarwe en bietenpulp.

De vloeibare bijproducten zijn thans veruit het goedkoopst, maar dan moet het landbouwbedrijf wel een investering doen. Een polyvalente silo met pomp en leidingen plaatsen, kost algauw 15.000 euro. De kost van deze investering per kg product is uiteraard zeer afhankelijk van de dagelijks vervoederde hoeveelheid. Een ruwe raming, rekening houdende met de silokosten (afschrijving, intrest) en extra werk, toont aan dat men bij de huidige prijzen en afhankelijk van de verbruikte hoeveelheid aan een kostprijs komt die 55 à 70 procent bedraagt van de krachtvoederwaardeprijs. Dat is dus op voorwaarde dat de prijs van de bijproducten stabiel blijft want we zien dat er een stijgende tendens in de prijzen zit. Er zijn nu al een 100-tal melkveebedrijven in België die deze vloeibare bijproducten gebruiken.

Zijn er al rapporten over de lopende ILVO studies rond bijproducten van bio-ethanol?
Niet zoveel. Het onderzoek is nog niet afgerond. ILVO informeert en begeleidt wel boeren die zich vragen stellen over deze vernieuwing. Op 19 januari 2011 organiseren we een infodag waarop ook de veehouders welkom zijn. ’s Ochtends presenteren we alle reeds beschikbare resultaten over de bio-ethanol-bijproducten.

Bron: VILT