Pers en media

ILVO persbericht - donderdag 19 december 2019

Aquacultuur van grijze garnaal aan land dichterbij? Twee technische knelpunten aangepakt via onderzoek

Op twee knelpunten die de aquacultuur van garnaal tot nu toe belemmeren is er via doctoraatsonderzoek vooruitgang geboekt. Voor het eerst zijn onderzoekers erin geslaagd om garnaallarven succesvol op te kweken tot jonge garnalen. Ook qua beheersing en identificatie van de belangrijkste ziektemakers (virussen) van de inheemse grijze garnaal zijn er belangrijke stappen gezet.
‘Grote, levende grijze garnalen bieden heel wat culinaire perspectieven, maar ze zijn schaars en het kost (te) veel tijd en moeite om ze in het wild te vangen en aan land te brengen. Aquacultuur van grijze garnaal, zeker van de grotere kalibers (+7cm) biedt op termijn commerciële perspectieven, als de technische hinderpalen overwonnen kunnen worden,’ zegt ILVO-UGent onderzoekster Benigna Van Eynde.

Op woensdag 4 december 2019 verdedigde Benigna Van Eynde haar doctoraat “Ontwikkeling van kweektechnieken voor de intensieve kweek van Crangon crangon en ontdekking van het viroom van grijze garnaal”. Promotoren zijn Prof. dr. ir. Guy Smagghe en dr. ir. Olivier Christiaens van UGent en dhr. Daan Delbare van ILVO.

Babygarnalen houden van een stevige stroming, een zacht temperatuurtje en een dieet met groente

stromingHet is niet de eerste keer dan onderzoekers proberen om de levenscyclus van garnalen in gevangenschap te sluiten. Met een reeks kweekinstallatie- en lab-experimenten had Benigna Van Eynde succes: ‘Wij weten nu hoe we larven kunnen opgroeien tot juvenielen met een overleving van 70-80 % na 21 dagen. Dat is hoog. De optimale behuizing, stroming, temperatuur en voeding voor zowel de zwemmende larven als de zich in het zand ingravende juveniele garnalen zijn op punt gesteld.‘ Het uiteindelijk protocol wijkt af van dat voor andere schaaldieren. De overgang van larve naar juveniel , na 21 à 28 dagen, was altijd een kritiek punt. De larven blijven meest in leven als je ze in een gesloten systeem plaatst, zonder constante verversing van water en met een stevige stroming. ’Bij andere schaaldieren gebruikt men meestal cilindrische tanks op 15°C, die onderaan taps toelopen (cylindroconische vorm), en waarin een overloop met zachte stroming voorzien is. Qua temperatuur groeiden de garnaallarven al beter op 18°C (einde larvale periode na 23 dagen), en nog sneller bij 21°C (einde larvale periode na 18 dagen), maar dan daalde de overleving weer een beetje.

Een gemengd dieet van Artemia nauplii (eerste levensstadium pekelkreeftje) en micro-algen gaf de beste overlevingskans: 55% overleving na 28 dagen. Hoe de micro-algen precies de betere overleving bewerkstelligen is nog onbekend. Qua hoeveelheid voeder geeft een beperkend voedselregime (dus niet ad libitum) het beste resultaat qua overleving, en ook voor de waterkwaliteit (voedseloverschotten vertroebelen het water), en voor de kostprijs (nauplii zijn duur) is het optimaal.

Garnaal, de kannibaal

Grijze GarnaalIn het experimentele kweekprogramma bleek de overleving van de larven steeds een flinke knauw te krijgen tussen dag 21 en 28, vermoedelijk als gevolg van kannibalisme. ‘Die neiging om soortgenoten op te eten is gedeeltelijk te beheersen als je zand voorziet in de containers: de jonge garnalen kunnen zich dan ingraven en zijn minder kwetsbaar.’ De dichtheid van de garnalen per kweektank heeft geen invloed op de mate van kannibalisme. Bij gelijk welke densiteit lag het percentage van de opgegeten larven even hoog. Verder onderzoek naar de triggers en de vermijdingsstrategieën voor kannibalisme zijn nodig.

Vijanden van buitenaf: garnaalvirussen

In de kweek van andere garnaalsoorten (vb. tijgergarnalen) zijn virussen de belangrijkste ziektemakers. Ook de wilde grijze garnaal is soms geïnfecteerd door het Crangon crangon bacilliform virus (CvBV). ‘CvBC is een virus dat het spijsverteringsstelsel aantast en en dus ook de groei van de garnaal beïnvloedt, maar dat niet gevaarlijk is voor de mens. Omdat een duurzame aquacultuur staat of valt met de beschikbaarheid van een virusbeheersingsplan verdiepte dit doctoraatsonderzoek zich in garnaalvirussen, aanwezig bij gekweekte en wild gevangen garnaal. Benigna Van Eynde gebruikte een PCR gebaseerde detectiemethode. ’Bijna 80% van de onderzochte Noordzeegarnalen blijkt geïnfecteerd met CcBV. En dat is een probleem, want schaaldieren hebben wel een aangeboren, maar geen adaptief immuunsysteem. Bij aquacultuur kan dan een beroep gedaan worden op RNA interferentie, een soort vaccin dat verdere replicatie van het virus blokkeert.’

Benigna Van Eynde voerde experimenten uit met het CcBV en RNA-interferentie gericht tegen het virale gen helicase. Er werd een klein effect waargenomen: het aantal virale deeltjes daalde met bijna factor 2 na 15 dagen. Dat is veelbelovend, maar verder onderzoek naar deze behandelingsmethode is zeker nodig. Bovendien is CcBV niet het enige virus. “Bij het onderzoek op basis van Next Generation Sequencing – voor het eerst uitgevoerd op garnaal – hebben we liefst 16 nieuwe garnaalvirussen beschreven. Ook die moeten gescreend worden op hun mogelijke impact in kweekomstandigheden.”

Land-gebaseerde kweek van garnaal geen verre droom meer

“De kweek van grijze garnaal als nicheproduct komt met dit onderzoek een pak dichterbij. Een grote hindernis, het opzetten van een efficiënte larvicultuur is overwonnen.”, stelt Benigna Van Eynde. Er is de laatste jaren een stijgende vraag naar grote, levende grijze garnalen, om ze ofwel dagvers of zelfs rauw te verwerken in hoogkwalitatieve culinaire producten (sashimi, stomen, grillen, marineren, bakken…). Voor dergelijke nichetoepassingen is er sprake van een meerprijs van ongeveer 30%. “Dat opent perspectieven, maar het roept ook vragen op. De dikste grijze garnaal (groter dan 7 centimeter) uit de Noordzee zijn amper 2 % van de vangst. Garnalen levend aanlanden uit de wildvangst beperkt zich tot de laatste sleep van de dag, en het manueel sorteren is arbeidsintensief en dus economisch weinig rendabel”.

“Bijkomend onderzoek is uiteraard nodig: naar het onderdrukken van kannibalisme bij jonge en volwassen garnalen, naar optimale leefomstandigheden voor de grotere dieren, naar ziektes, en naar de opbouw van een goede broodstock door een goede selectie van ouderdieren. De hoge infectiegraad van CcBV in de Noordzee vormt daar een probleem, maar een eerste analyse die we deden met een aantal dieren uit de Zwarte Zee suggereert dat de infectiegraad daar een pak lager te ligt. Mogelijks kunnen we daarmee een niet-geïnfecteerde stock van ouderdieren uitbouwen.”

Contact

Sofie Vandendriessche, Communicatie ILVO: sofie.vandendriessche@ilvo.vlaanderen.be, T. 09 272 25 28
Daan Delbare, promotor ILVO: daan.delbare@ilvo.vlaanderen.be, T. 059 56 98 43