Pers en media

ILVO persbericht - donderdag 3 maart 2011

Doctoraat STEPHANIE BUIJS: 'Using Spatial Distribution and Behaviour to Determine Optimal Space Allowances for Poultry and Rabbits'

Nood aan ruimte?
De behoefte aan een lagere bezettingsdichtheid bij vleeskippen en -konijnen

Hoeveel belang hechten vleeskippen en vleeskonijnen aan een bezettingsdichtheid die meer ruimte biedt dan wat de huidige norm voorschrijft? In het verleden richtte het onderzoek ter zake zich voornamelijk op ongewenste invloeden van hoge dichtheden op gezondheid en gedrag. Daarbij wordt echter weinig of geen rekening gehouden met het standpunt van het dier. In het onderzoek van ILVO-wetenschapper Stephanie Buijs werd een methode ontwikkeld en toegepast om het belang te bepalen dat de dieren zelf aan ruimte hechten. Met haar proefschrift, dat ze op 4 maart verdedigt aan de Sveriges lantbruksuniversitet (Uppsala, Zweden), wil ze vanuit het perspectief van het dier de optimale hoeveelheid ruimte vastleggen voor vleeskuikens en vleeskonijnen aan de hand van de manier waarop zij zich over de beschikbare ruimte verspreiden. Wanneer dieren door een hoge bezettingsdichtheid gedwongen worden om dicht bij elkaar te verblijven, zullen zij toch proberen om zoveel mogelijk afstand van elkaar te nemen. Wanneer dieren elkaar op een dergelijke manier ontwijken, betekent dit dus dat er minder ruimte beschikbaar is dan zij zouden op prijs stellen.


De verdediging vindt plaats op vrijdag 4 maart om 9.15 uur
op de campus van de Sveriges lantbruksuniversitet (Uppsala, Zweden).

Eerst wordt beschreven hoe vleeskuikens zich gedragen wanneer zij bij verschillende bezettingsdichtheden gehuisvest zijn, en tevens hoe zij zich daarbij over de verschillende delen van hun hok verspreiden. Uit het bestudeerde gedrag blijkt o.a. dat vleeskippen gehuisvest bij een zeer lage dichtheid (≥ 19 dieren per 3.3 m2, ofwel 15 kg/m2) elkaar beginnen te ontwijken ergens gedurende de laatste 3 weken van hun leven. Ter vergelijking: de meest recent ingestelde EU norm voor dichtheid van vleeskippen ligt op 42 kg kip per vierkante meter, of ongeveer 15 a 20 dieren per vierkante meter, afhankelijk van het verwachte eindgewicht. Het verspreidingspatroon van vleeskippen geeft dus aan dat zij bij voorkeur over meer ruimte zouden willen beschikken. Maar dat maakt nog niet duidelijk hoe belangrijk deze voorkeur voor hen is. Omdat de dieren uiteraard niet rechtstreeks kunnen kenbaar maken hoe belangrijk zij een lagere bezettingsgraad vinden, wordt dit afgeleid uit de hoeveelheid inspanning waartoe de kippen bereid zijn. Dus moesten de vleeskippen over een barrière springen of klauteren, om zo van een hoge bezettingsdichtheid (15 kippen / m2) naar een lagere bezetting (12 of 9 kippen / m2) te gaan.

Om de inspanning die de vleeskippen doen voor een lagere bezetting in het correcte perspectief te plaatsen, werd deze vergeleken met de moeite die de vleeskippen zich getroosten om bij voeder te komen. Voor de meeste kippen ligt de maximaal overbrugde hoogte om bij het voeder te geraken – nadat zij 6 uur niet hebben kunnen eten – op 14 centimeter. Wanneer de vleeskippen dezelfde barrière van 14 cm over moeten om meer ruimte te krijgen, is er een duidelijke verplaatsing van kippen van de hoge naar de lage bezetting. Dit betekent dat de dieren een voorkeur hebben voor meer ruimte, en dat zij bereid zijn om daartoe een aanzienlijke inspanning te leveren.

Ook de ruimtelijke verdeling van vleeskonijnen in kooien met verschillende afmetingen werd bestudeerd. De vergelijkende proeven tonen aan dat de vleeskonijnen van 9 weken oud de nabijheid van hun soortgenoten ontwijken in alle kooitypes, ook al is de bezettingsdichtheid in de grootste kooien vier keer zo laag als in de gangbare praktijk. Ook lijken de dieren minder gericht op elkaar wanneer er een houten verrijkingsstructuur in de kooi aanwezig is om aan te knagen. Kooigrootte blijkt verrassend weinig invloed te hebben op het gedragspatroon van vleeskonijnen gehuisvest in groepen van acht, al werd er iets meer gerust in kleinere kooien.

Samenvattend kunnen we stellen dat een hogere bezettingsdichtheid tot een fragmentatie leidt van het rustgedrag van vleeskuikens, terwijl vleeskonijnen juist meer rusten bij een stijgende bezettingsdichtheid. Vleeskuikens vertonen tevens een aanzienlijke motivatie voor lagere dichtheden, wat suggereert dat lagere dichtheden – lager dan de recente Europese richtlijn dus – belangrijk zijn voor het welzijn van deze dieren. Vleeskonijnen ontwijken elkaar zelfs nog in de grootste kooien die getest werden (1.60 m2 voor 8 konijnen). Dit impliceert dat ook deze kooigrootte nog niet optimaal is, ook al biedt deze vier keer zoveel ruimte per konijn als gangbaar is in de praktijk. De resultaten van de analyse van de ruimtelijke verdeling benadrukken tevens het belang van de correctie voor omgevingsfactoren, en van het gebruik van meerdere verspreidingsindices, wanneer de afstoting dan wel aantrekking tussen dieren geanalyseerd wordt. Al bij al kan men stellen dat er nog steeds geen afdoende methodologie of harde data bestaan om de minimumnormen voor groepshuisvestiging te evalueren volgens criteria van diervoorkeur.

De bevindingen uit dit doctoraat zullen de basis vormen van een gedragstest. Deze test wordt in een vervolgonderzoek ontwikkeld om de behoefte aan minimale ruimte bij vleeskippen gehuisvest onder commerciële omstandigheden te kwantificeren.