Pers en media

ILVO persbericht - vrijdag 2 maart 2012

Met een doordachte bemestingsstrategie werken aan de gezondheid van bodem, gewas, dier en mens.

Op vraag van en in samenwerking met de biosector brachten wetenschappers voor het eerst de dierlijke meststromen van alle biologische landbouwbedrijven in Vlaanderen gedetailleerd in kaart. Dat bracht ondermeer aan het licht dat het huidig aanbod biologische mest in Vlaanderen ontoereikend is om de behoefte te dekken bij een ongewijzigde bemestingstrategie. Inzet van bv. grasklaver en vlinderbloemigen, gebruik van maaimeststoffen en optimaal benutten van de voedende waarde van de bodem kunnen weliswaar soelaas brengen.

Er zijn echter biologische mestsoorten die (nog) geen optimale bestemming krijgen of moeilijker toe te passen zijn, zoals kippenmest op de akker en stromest van herkauwers op grasland.

Via experimenten werd aangetoond dat die moeilijkere mestsoorten toch haalbare en waardevolle perspectieven bieden voor gebruik in de Vlaamse biosector, mits composteren of behandelen. Zowel de compostproductie en andere mestbehandelingen als de compost- en mesttoepassing op proefveldniveau zijn via experimentele proeven bestudeerd. Wil men daadwerkelijk met compostering aan de slag, individueel of centraal, dan blijken er nog wel enkele hordes te nemen, zowel financieel, technisch als organisatorisch.

Eén van de basisprincipes van biologische landbouw is de gesloten nutriëntenkringloop: de bodemvruchtbaarheid en –biologie moeten het resultaat zijn van vruchtwisseling, groenbemesting en toepassing van dierlijke mest, afkomstig van biologische productie. Dit vergt samenwerking tussen de dierlijke en plantaardige bioproducenten evenals inzicht in complexe nutriëntenstromen.

De eerste conclusies van het onderzoeksproject “Optimale aanwending van biologische mest”, uitgevoerd door ILVO, Inagro vzw en UGent, zijn deze week voorgesteld aan de biosector. Het project is gefinancierd door de Vlaamse overheid (Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling).


Bodembeheer, kringlopen sluiten en beschikbaarheid van biologische grondstoffen in Vlaanderen: een inventaris

De bodem vormt het centrum van de landbouwkringloop. Door bodembewerkings- en teeltpraktijken die zorgen voor een constante of toenemende hoeveelheid organische stof en die bodemstabiliteit en -biodiversiteit verbeteren, kan men bodemverdichting, nutriëntenverliezen en erosie vermijden. Biologische telers zijn zich daar ten volle van bewust. De gesloten nutriëntenkringloop vormt een biologisch basisprincipe: bodemvruchtbaarheid en –biologie moeten gehandhaafd of verbeterd worden via vruchtwisseling, groenbemesting en toepassing van dierlijke mest, afkomstig van biologische productie. Zo wordt het ook verwoord in de Europese Verordening 834/2007 inzake de biologische productie.
Daarmee staat de biologische sector voor een enorme opgave: Zijn er voldoende biologische grondstoffen voorhanden op het juiste moment? Kan de bemesting geoptimaliseerd worden binnen de wettelijke beperkingen qua nutriëntenaanvoer en gekoppeld aan economische productiecijfers?
En wat met het evenwicht tussen de verschillende biologische deelsectoren, praktische toepasbaarheid van bepaalde mesttypes, samenstelling van de mest, contacten en afstand tussen de biologische mestproducent en de –afnemer?
Dit vereist voortdurende kennisopbouw.

De in dit project uitgevoerde inventaris (gebaseerd op de sectorsituatie in 2009) kan een eerste stap zijn naar werkbare netwerken en logistieke kanalen om meststromen te faciliteren (denk aan een databank met gegevens rond mestbeschikbaarheid), om bedrijven bij elkaar te brengen en zo uitwisseling van mest en voeder te stimuleren, om centraal mest te bewerken of te composteren.

Wat betreft samenstelling en toepasbaarheid vormt biologische kippenmest een aandachtspunt. Anders dan bij bv. rundermest, is het aandeel van de biologische kippenmest dat niet op het Vlaamse biologische areaal wordt toegepast relatief groot omdat de (onbehandelde) kippenmest een hoge fosforinhoud heeft in vergelijking tot de aanwezige stikstof. Door verscherping van de fosfornorm (MAP) zal de fosforinhoud van de mest in de nabije toekomst nog meer beperkend worden voor de mestgift.
Ook de toepassing van geitenstalmest op grasland is geen evidentie: hier spelen de heterogeniteit en grofheid van het materiaal een rol, en ook de vrees op overdracht van pathogene organismen.
Behandelen van de mest via bv. composteren of omzetten kan een uitweg bieden, zo blijkt uit praktijkonderzoek.

Optimalisatie dierlijke mest: composteren of behandelen: waarom (niet)?

Het is bekend dat voorafgaande conditionering van mest leidt tot een betere mestkwaliteit, die zowel gunstig is voor de kwaliteit van de bodem als voor de prestaties van het gewas (gezondheid en begingroei). Concreet heeft dit onderzoeksproject geëxperimenteerd met composteringstechnieken waarin biologische kippenmest of geitenstalmest een ingrediënt vormde. Vraag was hoe men een kwaliteitsproduct (bodemverbeterend, plantenvoedend) kon bekomen voor de biologische tuin- en akkerbouw dat tegelijk positief kon scoren qua efficiënte recyclage van de nutriënten in de mest, qua volumereductie en verkleining van de uitgangsmaterialen, en qua tijd- en arbeidsinvestering van het composteren. Naast compostering op ril, werden diverse alternatieve technieken uitgetest, waaronder het aanbrengen van groencompost als vangsubstraat in de scharrelruimte van een kippenstal, het eenvoudig opmengen van kippenmest met groencompost, en het centraal behandelen (hygiëniseren) van kippenmest met groencompost en paardenmest in gesloten tunnels.
De proeven tonen dat compostering van dierlijke mest (met of zonder bijmenging van plantaardige reststromen) effectief kansen biedt om chemisch, fysisch en biologisch waardevolle kwaliteitsproducten te genereren, en via die weg de aanwending van biologische dierlijke mest te optimaliseren. Dit werd ook via bemestingsproeven gevalideerd.

Concreet:

  • Voor het composteren op ril van kippenmest met plantaardige reststromen is de aanwezigheid van een houtige component (houtschors of -snippers) van groot belang voor een goede structuur en als bron van koolstof voor de micro-organismen. Beschikbaarheid en prijs van deze houtige component vormen echter een belangrijk knelpunt, aangezien deze biomassastromen vaak een andere bestemming kennen. Centrale organisatie en samenwerking met de natuursector (bv. lokaal winnen van houtsnippers) kan hieraan tegemoet komen.
  • Naarmate het aandeel kippenmest in de compostering stijgt, wordt het proces intenser en nemen dus ook de materiaalverliezen en arbeidsbehoefte toe. Daarom wordt aangeraden om het aandeel kippenmest lager te houden dan 10 volume% wanneer er gecomposteerd wordt in buitenomstandigheden, en steeds met geschikte plantaardige reststromen te werken.
  • Het aanbrengen van groencompost in de scharrelruimte van een kippenstal is een techniek met heel wat potentie en een aantal onmiskenbare voordelen, zoals het bekomen van een interessant en nutriëntenrijk product met vele toepassingsmogelijkheden en verhoogde kans op vlotte afzet, en het brongericht, duurzaam en relatief goedkoop beperken van stikstofverliezen in de stal, hetgeen aansluit bij de kringloopgedachte in de biologische landbouw. Doordat de kippenmest in de groencompost terecht komt, blijft de het stikstofverlies door ammoniakvervluchtiging beperkt. Om het geheel werkbaar te houden, vraagt de opzet van dergelijk systeem een kleine tractor en cultivator, een bobcat en een stalsysteem waarbij men gemakkelijk in en uit de stal kan rijden.
  • Mestbewerking via centrale behandeling in gesloten tunnels kan een manier zijn om grotere hoeveelheden kippenmest, eventueel samen met andere mestfracties, om te vormen tot een gehygiëniseerd en qua samenstelling interessanter product voor afzet binnen de Vlaamse landbouw. Technisch is dit haalbaar en naargelang de behoefte kan de samenstelling van het eindproduct relatief eenvoudig bijgestuurd worden. Toch zijn er een aantal cruciale aandachtspunten, waarvan beschikbaarheid van voldoende uitgangsmateriaal op het juiste moment, traceerbaarheid van de biologische materialen en economische rendabiliteit wellicht de voornaamste zijn.
  • Het gecombineerd toepassen van groencompost en kippenmest op het perceel is mogelijk interessanter dan het voorafgaand mengen en langdurig stockeren, waarbij grote materiaalverliezen kunnen optreden.
  • Het omzetten van stromest van geiten leidt potentieel tot hygiënisatie, een hoger gebruiksgemak, volumereductie en een hogere plantenvoedende waarde.

Naast de kwalitatieve dimensie dienen wat deze praktijken betreft ook technische haalbaarheid, beschikbaarheid van uitgangsmaterialen en economische rendabiliteit beschouwd te worden. Op basis van de binnen dit project opgebouwde ervaring, is gebleken dat aan kwaliteit doorgaans een kostenplaatje vast hangt op korte termijn, hoewel ook verwacht wordt dat dit vaak op langere termijn een waardevolle investering kan zijn. Mits centrale organisatie en goede samenwerking en afspraken tussen producent en afnemer zien de onderzoekers hier zeker toepassingsmogelijkheden.

Studiedag “Bio, bodem en bemesting”

De resultaten van het onderzoeksproject zijn zopas bekend gemaakt op een studiedag voor biolandbouwers op het ILVO (georganiseerd door Bioforum in samenwerking met ILVO, Inagro vzw, UGent en CCBT). Deze studiedag “Bio, bodem en bemesting” is een jaarlijks terugkerend moment waarop de biosector actuele ontwikkelingen op dat vlak bekijkt.
Op basis van de nieuwe data brainstormden de deelnemers uitgebreid over praktisch haalbare scenario’s om in de toekomst de beschikbare biologische dierlijke mest optimaler in te zetten. Uit de geanimeerde discussies bleek alvast dat deze thematiek leeft.
Samengevat kwamen volgende noden naar voor om dit aan te pakken:

  • Kennisopbouw omtrent maatregelen die de nutriëntenbeschikbaarheid vanuit de bodem optimaliseren
  • Verder investeren in onderzoek naar grasklaver en vlinderbloemigen
  • Kennisopbouw omtrent het gebruik van maaimeststoffen
  • Bijkomende grond voor meer biolandbouw
  • Aanpakken van logistieke problemen
  • Clustering zodat samenwerking tussen de bedrijven kan geoptimaliseerd worden op vlak van gezamenlijk gebruik van machines, gezamenlijke compostering, uitwisseling van mest, voeder en ander groenmateriaal, …

Met het oog op een gesloten nutriëntenkringloop zou “Bio zoekt Cluster” een mooi uitgangspunt voor een volgend initiatief kunnen vormen, zo wist één van de aanwezige biolandbouwers op te werpen.

Het eindrapport van het project “Optimale aanwending van biologische mest van kippen en herkauwers voor een gezond biologisch gewas” kan verwacht worden begin juni 2012.

Meer informatie

Bert Reubens & Koen Willekens
Tel. 09/272 26 70
bert.reubens@ilvo.vlaanderen.be

Lieven Delanote & Annelies Beeckman, Inagro vzw
lieven.delanote@inagro.be

Stefaan De Neve, Universiteit Gent (vakgroep Bodemvruchtbaarheid en Nutriëntenbeheer)
stefaan.deneve@ugent.be

An Jamart, coördinator landbouw Bioforum
an.jamart@bioforum.be