Pers en media

ILVO persbericht - donderdag 1 maart 2012

Aan de praat over bemesten op maat

Hoe voorspel je de hoeveelheid werkzame stikstof die uit een bodem vrijkomt voor de plantengroei? Wat beïnvloedt de N-mineralisatie in welke mate? Het weer natuurlijk - bij warm en vochtig weer komt er heel wat minerale stikstof vrij -, maar vooral ook de stabiliteit van de organische stof in de bodem. Wie jarenlang veel drijfmest toedient, krijgt meer onstabiele organische stof in de bodem, en dat maakt de mineralisatiecapaciteit een stuk onvoorspelbaarder. Deze en andere ervaringen met “bemesting” werden uitgewisseld tussen een 12 tal melkveehouders uit heel Vlaanderen, in het kader van de meest recente Dairyman discussiegroep, die plaatsvond op 9 februari in het Kakelend Kippenmuseum te Keiem. Franky Coopman van Inagro te Beitem was als expert aanwezig om de melkveehouders te begeleiden bij hun zoektocht naar optimaal bemesten. De conclusie luidde dat het tegenwoordig een moeilijke uitdaging is om tegelijk een optimale opbrengst en kwaliteit van de geteelde ruwvoedergewassen te bereiken, én te voldoen aan de steeds strengere mestwetgeving. Met het nemen van mest- en/of grondstalen om de mestsamenstelling, de vruchtbaarheid van en de N-voorraad in de bodem te kennen, komt de landbouwer al een flink eind op weg.

Vlaanderen, een verscheidenheid aan bodems

“Met Dairyman, een Europees project, willen we een milieuvriendelijke en economisch vitale melkveehouderij in Noodwest-Europa stimuleren. Twaalf melkveehouders, verspreid over heel Vlaanderen, komen twee keer per jaar samen om te discussiëren over één van de aspecten die de duurzaamheid van een melkveebedrijf beïnvloeden. Tijdens de themabijeenkomst over ‘bemesting’ hadden de melkveehouders eigen bodem- en mestanalyses bij als uitgangspunt voor de discussie.”, zegt Jo Bijttebier van ILVO, (landbouw en Maatschappij.)

Opmerkelijk, het vergelijken van de grondanalyses van een melkveehouder uit de Kempen en één uit de Polders was niet zo evident! De eerste werkt op een lichte zandgrond terwijl de andere melkveehouder zijn gewassen teelt op een zware kleigrond. De melkveehouder uit de Kempen heeft bijvoorbeeld een perceel met een pH van 6,5 wat voor de Kempen eerder aan de hoge kant is, terwijl de melkveehouder uit de Polders een analyse voor zich kan hebben van een perceel met een pH van 7,1 die aangeduid staat als tamelijk laag. Nochtans is het advies voor beide melkveehouders binnen een bepaalde streefzone te blijven om een optimale vruchtbaarheid van de bodem na te streven. Binnen die streefzone is de opneembaarheid van alle belangrijke elementen voor de plantengroei maximaal, maar deze streefzone is voor verschillende bodemtypes anders. Gelukkig beschikt de bodem zelf over bufferende capaciteiten waardoor de bodem pH geen extreme waarden aanneemt. De bufferende capaciteit wordt gegarandeerd door CaCO3 in de bodem. Het is dus belangrijk om te zorgen voor voldoende kalk in de bodem. Echter, overbekalking moet dan weer vermeden worden omdat een te hoge pH moeilijker aan te pakken is dan een lage pH. De melkveehouders kregen het advies maximaal 4000 kg kalk/ha aan 50% aan te brengen zodat maximaal 2.000 zuurbindende waarde wordt aangebracht, bij voorkeur in het najaar.

Stikstof

Het afstemmen van de N-bemesting op een optimale opbrengst en kwaliteit, en tegelijk voldoen aan de norm voor nitraatresidu in het najaar, is geen eenvoudige opdracht. Het aanbod van beschikbare stikstof voor het gewas is afkomstig van aangevoerde dierlijke mest en kunstmest en van de stikstoflevering door de bodem. De organische stikstof in de bodem en de dierlijke mest wordt geleidelijk vrijgegeven door N-mineralisatie met de vorming van het door de plant opneembare nitraat. Dit is de werkzame stikstof. Voor de werkzame stikstof in dierlijke mest zijn waarden beschikbaar, de zogenaamde werkingscoëfficiënten, die toegepast worden in het systeem van werkzame stikstof in het nieuwe mestdecreet. Deze werkingscoëfficiënten variëren echter naargelang de mestsamenstellling, de toedieningstechniek, het moment van toedienen, … Ook de hoeveelheid werkzame stikstof die vrijkomt uit de bodem is heel moeilijk te bepalen. De N-mineralisatie is van vele factoren afhankelijk en daardoor ook moeilijk te voorspellen. Zo wisten alle melkveehouders dat warm en vochtig weer ideaal is voor het vrijstellen van minerale stikstof voor de planten. Dat echter niet het koolstofgehalte in de bodem maar wel de stabiliteit van de organische stof in de bodem een indicator is voor de mate van mineralisatie, was nieuw. De stabiliteit van een bodem is vooral afhankelijk van de voorgeschiedenis van het perceelgebruik. Door bijvoorbeeld jarenlang veel drijfmest toe te dienen aan de bodem, wordt er eerder onstabiele organische stof opgebouwd. Deze onstabiele organische stof heeft een hogere mineralisatiecapaciteit. Bij warm en vochtig weer zal heel veel stikstof vrijgesteld worden, maar bij minder gunstige weersomstandigheden is er net heel weinig werkzame stikstof. Dit betekent dat de situatie bij veel onstabiele organische stof in de bodem nog moeilijker voorspelbaar wordt, en het risico op overschrijden van 90kg N/ha toeneemt. In Vlaanderen was vorig jaar de gemiddelde hoeveelheid reststikstof op maïs hoger dan de maximum toegelaten reststikstof. Door het warme, vochtige najaar was er nog lang mineralisatie van stikstof in de bodem, waardoor er nog heel wat stikstof vrijkwam dat niet meer opgenomen kon worden door de planten. In dat geval kan de inzaai van een groenbedekker een oplossing zijn om een gedeelte van de achtergebleven stikstof op te nemen, of het inwerken van organisch materiaal met een hoge C/N verhouding (zoals stro), om de stikstof in de bodem te immobiliseren. Door echter een N-analyse te doen net voor de start en/of tijdens de teelt kan men achterhalen hoeveel minerale N in de bodem aanwezig is. Hierdoor kan makkelijker bepaald worden hoeveel extra stikstof aangewend moet worden via kunstmest en/of dierlijke meststoffen. Het spreekt voor zich dat als je ook de stikstof inhoud van de dierlijke mest ken, je nog gerichter kan gaan bemesten.

Bemesten, zoeken naar een optimale balans

Een plant heeft natuurlijk meer dan alleen N nodig om te groeien. Hierbij denken we aan P, K, Ca, Mg en S als andere noodzakelijke elementen voor de plantengroei. Bij sommige elementen, zoals P en N, is overmaat toxisch voor de planten. Andere elementen zijn in overmaat dan missschien wel niet toxisch voor de plant, maar ze kunnen wel de opname van andere elementen verhinderen. Bijvoorbeeld uit een bodemanalyse kan blijken dat Mg in de bodem binnen de streefzone zit. Hierbij zou men kunnen concluderen dat er geen Mg bemesting dient toegepast te worden, maar dit is niet steeds het geval. Veel belangrijker is immers de verhouding tussen K en Mg, die kleiner moet zijn dan 2,5. Als aan die verhouding voldaan is, zal de plant effectief Mg opnemen. Boven die verhouding verkiest de plant de opname van K omdat dit een kleinere molecule is. Op een perceel snijmaïs met voorteelt gras, wordt Mg beter toegediend aan het begin van de snijmaïsteelt dan aan het einde van de grasteelt. De bodemtemperatuur is namelijk wat hoger bij het begin van de snijmaïsteelt, waardoor het Mg beter beschikbaar wordt. De samenstelling van de belangrijkste voedingsstoffen voor het gewas wordt bepaald door een analyse van de bouwvoor. Deze stalen worden best genomen in januari of februari. Door het koude weer ligt de bodem stil en heb je een stabiele situatie. Uit deze bouwvoor analyse kan je weten welke elementen hoog of laag in de bodem aanwezig zijn. Dat kan helpen beslissen bij het overwegen van het al dan niet aanbrengen van een bepaalde meststof. Effluent is bijvoorbeeld heel rijk aan K, terwijl stalmest dan weer veel Mg kan aanleveren.

Besluit

Een goede opbrengst en kwaliteit van de ruwvoedergewassen is jaarlijks de uitdaging voor iedere melkveehouder. Het weer heeft men niet in de hand, en met de strenge mestwetgeving in gedachte, zullen vele landbouwers wellicht hetzelfde beweren over bemesting. Dat maakt de uitdaging alleen maar groter. Een goede kennis over bemesting, bodemwerking en –bewerking is hierbij onontbeerlijk. Het nemen van mest- en/of grondstalen om de mestsamenstelling, de vruchtbaarheid van en de N-voorraad in de bodem te kennen, helpt de landbouwer optimaal te bemesten. Finaal is er de mogelijkheid om beroep te doen op de kennis van bemestingsdeskundigen. De Dairyman melkveehouders genoten het voorrecht gericht advies te krijgen op basis van eigen mest- en bodemanalyses. Dat leverde voldoende, al dan niet organische, stof op tot nadenken over hun aanpak voor dit jaar.

Contact

Jo Bijttebier, Lies Debruyne

Dairyman    Investing in Opportunities - Interreg IVB