Pers en media

ILVO persbericht - woensdag 4 april 2012

Een neus voor berengeur

Doctoraat Marijke Aluwé: "Invloed van voeding en managementmaatregelen op het voorkomen van berengeur"

De verdediging zal plaatsvinden op 6 april 2012 om 14u
In de Academieraadzaal, lokaal A 0.030
Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen, Coupure links 653, 9000 Gent.

Marijke Aluwé (ILVO) verdedigt op 6 april 2012 haar doctoraat over de reductie van berengeur. Dat is een afwijkende geur en smaak die kan optreden tijdens de bereiding van varkensvlees van sommige niet-gecastreerde mannelijke varkens (beren). Het doctoraat biedt nieuwe inzichten in een actuele problematiek en geeft aan welke verdere onderzoekspaden in samenwerking met praktijkbedrijven moeten worden bewandeld.


Berengeur wordt voornamelijk veroorzaakt door twee componenten: androstenon, aangemaakt in de testikels, en skatol aangemaakt in de darm. Opmerkelijk is dat de meeste beren deze stoffen NIET gaan opslaan in het vet, en sommige wel. Consumptie van vet en vlees van deze laatste categorie levert, voornamelijk indien verhit, een smaakprobleem op. De vleessector hanteert daarom een nultolerantie ten opzichte van berengeur van intacte beren.

Het thema is erg actueel. In het kader van meer dierenwelzijn voor varkens wereldwijd wordt er namelijk gezocht naar (economisch) valabele alternatieven voor onverdoofde chirurgische castratie van beren. Vanaf januari 2012 moet de castratie van biggen uitgevoerd worden met pijnbestrijding of verdoving, volgens afspraken in de ‘Verklaring van Brussel’ (een overeenkomst tussen verschillende actoren uit de Europese varkenssector, Europese detailhandelaren en ngo’s). Diezelfde verklaring stipuleert dat men vanaf 2018 in de Europese varkenshouderij zal overschakelen op de productie van intacte – dus niet gecastreerde - beren.

Intacte beren groeien immers efficiënter dan bargen (gecastreerde beren) en zijn magerder dan bargen, wat een betere uitbetaling in het slachthuis betekent. Maar de (weinige) beren die berengeur in het vlees en vet vertonen moeten dan wel kunnen gedetecteerd worden aan de slachtlijn, en hun aantal moet zo laag mogelijk blijven.

Hoe vaak komt berengeur voor bij intacte beren?

Marijke Aluwé vergeleek verschillende detectiemethoden en beoordeelde managementmaatregelen om berengeur te reduceren. Afhankelijk van de gebruikte detectiemethode, hadden ongeveer 5 à 10 % van de varkensberen effectief berengeur.

De soldeerboutscore lijkt veelbelovend als sensorische detectiemethode aan de slachtlijn. Bij deze methode wordt vet verhit met een soldeerbout en de geur gescoord op een schaal van neutraal tot sterk afwijkend. Verder onderzoek is nodig om de betrouwbaarheid van deze methode te garanderen. Op termijn is een objectieve meetmethode voor skatol en androstenon aan de slachtlijn het meest wenselijk. Uit blinde consumententests met berenvlees bleek dat niet alleen berengeur, maar ook malsheid een belangrijke factor kan zijn.

Strategieën om berengeur te reduceren?

Marijke Aluwé vond weinig tot geen verbanden tussen berengeur en de voeding van de varkens en tussen berengeur en de hygiëne in de stal. Andere onderzoekers vonden wel verlaagde skatolgehalten bij inmenging van bepaalde voedingsmiddelen.

Ras en slachtgewicht lijken wel beduidende verschillen in ‘kans op berengeur’ op te leveren. Verschillende rassen werden vergeleken: Piétrain (in Vlaanderen vaak de vaderlijn wegens de goede vleeskwaliteit), Large White en stressnegatieve Belgisch Landras (in Vlaanderen vaak de moederlijnen wegens goeie vruchtbaarheid, snellere groei, maar met meer vetaanzet) werden vergeleken. Op het gangbaar slachtgewicht van 110 kg kwam berengeur (gedetecteerd via de soldeerboutmethode) meer voor bij Large White (22%) dan bij Piétrain (0 %), terwijl de Belgisch Landras beren tussen beide in scoorden (13% afwijkend). Deze resultaten werden ook bevestigd door de labo-analyses voor skatol en androstenon. Daarnaast werd ook het effect van slachtgewicht op berengeur nagegaan. De beren van de drie rassen werden geslacht op verschillende gewichten. Slachtgewicht verlagen had geen invloed op skatol, maar wel op androstenon. Het reducerend effect was ook niet gelijkaardig voor de drie rassen. Een algemene toepassing van deze strategie is echter enkel zinvol als het androstenongehalte werkelijk te hoog is.

Toekomst?

Tot op heden staan de labo-analyses en de grenswaarden voor de berengeurcomponenten sterk ter discussie. Hierdoor is het ook niet duidelijk hoe groot of klein het berengeurprobleem nu werkelijk is. Verder onderzoek moet ondubbelzinnige grenswaarden vastleggen en de detectie van berengeur standaardiseren.

Sinds kort hebben sommige varkenshouders de kans gekregen om over te stappen naar de productie van intacte beren (op vraag van bepaalde afnemers). Een goede opvolging van de berengeurprevalenties op deze bedrijven zal duidelijk maken of er bedrijven bestaan waar berengeur meer of minder voorkomt. De effectiviteit van bepaalde reductiemaatregelen kan dan op deze bedrijven met hoge berengeurprevalentie verder experimenteel beoordeeld worden. Een samenwerking tussen praktijk en onderzoek kan op deze manier vooruitgang garanderen en verdere omschakeling naar intacte beren mogelijk maken.

Contact

Marijke Aluwé Marijke.Aluwe@ilvo.vlaanderen.be, gsm. 0497/75 93 85
Greet Riebbels (communicatie ILVO) Greet.Riebbels@ilvo.vlaanderen.be, gsm 0486/ 26 00 14