Pers en media

ILVO persbericht - vrijdag 8 juni 2012

Niveaus van kruiscontaminatie: residuen van diergeneesmiddelen en additieven in de pluimveehouderij

Doctoraat Valerie Vandenberge: "Overdracht van kruiscontaminatie-niveaus van coccidiostatica, antibiotica en ontwormingsmiddelen van voeder naar pluimveematrices"

De verdediging zal plaatsvinden op dinsdag 12 juni om 17.00 uur in kliniekauditorium D van de Faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent, Salisburylaan 133, Merelbeke

Het proefschrift van Valerie Vandenberge behandelt de mogelijke gevolgen van kruiscontaminatie in voeder in de pluimveesector. Kruiscontaminatie houdt in dat resten van gemedicineerd of gesupplementeerd voeder tijdens de aanmaak, de opslag, het transport en ook op het bedrijf zelf in voeder terechtkomen waarin geen geneesmiddelen mogen aanwezig zijn.


De veevoederindustrie beschouwt kruiscontaminatie als onvermijdelijk. Toch zijn er mogelijke risico’s: ten gevolge van kruiscontaminatie kunnen dieren onbedoeld farmacologisch actieve substanties binnenkrijgen. In het slechtste geval dragen zij deze farmastoffen over naar hun eieren of vlees en komen die in de voedingsketen terecht, zonder dat de veehouder zich bewust is van de residu’s in deze dierlijke producten.

De ILVO-onderzoekster nam het fenomeen van kruiscontaminatie onder de loep in de vleeskuiken- en leghennenindustrie. Via dierproeven met experimenteel voeder op het ILVO proefbedrijf kon zij in kaart brengen in welke mate er effectief overdracht van voeder naar eieren of gevogeltevlees voor diverse diergeneesmiddelen en voederadditieven optrad . Het onderzoek gebeurde aan de hand van experimenteel voeder, waarbij zes specifieke substanties (sulfadiazine, lasalocid, monensin, doxycycline, tylosine en flubendazole) getest werden. Bovendien werden factoren die een rol kunnen spelen bij de distributie van een molecule naar vlees of ei onderzocht.

Zo werden residuconcentraties in diverse delen en producten van vleeskuikens en leghennen op regelmatige tijdstippen bepaald. Voor de overdrachtstudie bij leghennen keek men naar het volledige ei en ook naar eiwit en dooier afzonderlijk. Er bleek algemeen een grote variatie te zijn in de overdrachtsfactoren voor de zes onderzochte molecules. Zo bleek lasalocid in vrij grote mate overgedragen te worden in het ei, maar werd monensin quasi niet overgedragen naar het ei. Er was verder ook een uitgesproken verschil in voorkeur voor eiwit of dooier tussen de diverse substanties. Zo werd lasalocid vooral teruggevonden in de dooier en werd sulfadiazine vooral teruggevonden in het eiwit.

Bij vleeskuikens werden de concentraties aan mogelijke residuen gemeten in borstspier, bilspier en lever. Opnieuw waren er naargelang de molecule duidelijke verschillen in de overdrachtsfactoren en hing de residuconcentratie af van de onderzochte kippenweefsels.

In dit doctoraat probeerde de onderzoekster tenslotte om een voorspellend model te formuleren voor de overdracht van substanties vanuit voeder naar gevogeltevlees of ei. Dat leverde een aantal formules op. Op dit ogenblik zijn die nog verder te verfijnen en nog niet toepasbaar in de praktijk, voornamelijk wegens te weinig gegevens over hoe (in welke organen en via welke processen) een dier precies een bepaald geneesmiddel verwerkt. Ook de fysiologische verschillen tussen leghennen en vleeskuikens zijn nog niet ten volle in de formule door te rekenen.

Contact

valerie.vandenberge@ilvo.vlaanderen.be, gsm 0497 20 52 92 els.daeseleire@ilvo.vlaanderen.be, gsm 0495 50 28 25