Pers en media

VILT - maandag 14 september 2015

Ook minder gewenste effecten van aanlandingsplicht vis

In de Europese visserij wordt momenteel het verbod op teruggooi gefaseerd ingevoerd. Alle te kleine vis en vis waarvoor de quota opgebruikt zijn, moet toch aan land worden gebracht. Onderzoeker Jochen Depestele (UGent / ILVO) voorspelt in zijn doctoraat dat de druk om meer selectieve vistechnieken te gebruiken, zal leiden tot minder ongewenste sterfte van jonge visjes en andere zeedieren. Maar de aanlandingsverplichting heeft ook negatieve gevolgen. Jonge visjes konden teruggooi immers overleven en terugkeren naar de vispopulaties om zich voort te planten. Bovendien kan het huidige voedingspatroon voor zeevogels en het voedselaanbod voor aas-etende zeebodemdieren drastisch veranderen.

Vrijdag verdedigt Jochen Depestele zijn doctoraatsonderzoek bij UGent en ILVO over de gunstige en minder gunstige ecologische effecten van de Europese aanlandingsverplichting voor ongewenste bijvangst in de visserij. Bij het vissen met sleepnetten en ander vistuig worden er naast grote eetbare vissen ook kleine visjes, zeesterren, schaaldieren en andere commercieel oninteressante dieren gevangen. Momenteel wordt elke vangst aan boord gesorteerd in enerzijds marktwaardige vis die opgeslagen wordt in het ruim en anderzijds teruggooi die direct weer overboord gaat. Het aandeel teruggooi varieert sterk naargelang de vissoort, het type visserij, het gebied en seizoen. Zo belanden tongen met de juiste afmetingen steevast in de ijskist, terwijl ondermaatse platvisjes, zeesterren en zwemkrabbetjes aan het einde van de transportband weer in zee vallen.

Tijdens zijn wetenschappelijke observaties bestudeerde Depestele de teruggooipraktijk voor vier belangrijke commerciële vissoorten in de Belgische boomkorvisserij, meer bepaald voor tong, schol, kabeljauw en wijting. Tong en schol blijken alleen overboord te gaan wegens te klein. Bij kabeljauw en wijting gaat soms ook vis overboord die aan de maat is, hetzij vanwege opgebruikte quota hetzij vanwege de lage marktwaarde van de vis in vergelijking met wat wordt gewonnen in latere vangsten. Teruggooi wordt maatschappelijk en door de Europese beleidsmakers ervaren als een vorm van verspilling. Binnen het Europees visserijbeleid is daarom recent de aanlandingsverplichting ingevoerd. Volgens deze maatregel moeten alle vangsten van quota-gereguleerde soorten aan boord worden gehouden, aangeland en tegen de quota worden afgeboekt. Op die manier moet teruggooi tot een minimum worden herleid.

Tot ruim één vierde van de teruggooi-fractie wordt opgepikt door zeevogels die de vissersvaartuigen volgen. Een deel van de resterende visjes heeft een behoorlijke overlevingskans. Niet alle vissoorten zijn daarbij even taai. Bij roggen stelde de onderzoeker 72 procent kans op overleving vast na 80 uur observatie. Bij kabeljauw was dat 66 procent na 88 uur, bij schol 48 procent na 77 uur en bij tong slechts 14 procent na 91 uur. Wijting en bolken overleefden het vangstproces niet of nauwelijks. Van de schaal- en schelpdieren overleeft driekwart het. Het dode deel van de teruggooifractie dat niet wordt opgegeten door zeevogels zinkt uiteindelijk naar de bodem van de zee. Daar wordt het materiaal opgenomen in het voedselweb van aasetende zeedieren zoals zwemkrabben, garnalen en zeesterren.

De nieuwe data in dit doctoraat plaatsen de Europese aanlandingsverplichting in perspectief. Europa heeft zich voornamelijk gericht op effecten binnen de visserijsector en binnen de commerciële vispopulaties. In de Belgische visserij is tot nu toe vooral gewerkt aan optimalisaties en een betere selectiviteit van de vistuigen, om teruggooi te vermijden of verminderen. Netaanpassingen zoals grote mazen in de rug van het net en een grofmazige extensie in de buik van het net worden in de praktijk toegepast om teruggooi van rondvis en ongewervelde bodemdieren te reduceren. Andere mogelijkheden blijven volgens Depestele nog onderbenut.

Van sommige technische (net)aanpassingen hoopt het visserijbeleid bij introductie op vlootniveau op voelbare effecten, terwijl de efficiëntie ervan enkel op experimentele schaal is vastgesteld. Visserijtechnische aanpassingen moeten volgens de onderzoeker meer toegepast en nauwgezet opgevolgd worden. Depestele brengt het tijds- en plaatsafhankelijk beheer als bijkomende maatregel onder de aandacht. Deze vorm van beheer steunt op het principe dat ongewenste vangst moet vermeden worden door niet te gaan vissen op visgronden waar een hoge teruggooi verwacht wordt. Om dat mogelijk te maken is er een real-time interactie nodig waarbij vissers vangstgegevens doorgeven aan elkaar en samenwerken om te kunnen voldoen aan de aanlandingsverplichting.

Jochen Depestele: “Finaal zullen de gevolgen van het teruggooiverbod worden gevoeld in het bredere ecologische systeem en binnen het volledige mariene voedselweb. Het is dus essentieel dat we verder in kaart brengen wat teruggooi betekent voor het ecosysteem, en dat die informatie wordt ingebouwd in het visserijbeleid. In dat licht zal teruggooi wellicht nooit helemaal verdwijnen uit de zeevisserij.”

Bron: VILT