Pers en media

VILT - woensdag 9 september 2015

Ook een doorwinterde boer kan leren van proefveldbezoek

Landbouwers die afgelopen vrijdag niét naar Merelbeke en Melle zijn afgezakt voor een bezoek aan de proefvelden van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) moeten zich dat beklagen. Zelf op het land werken zat er door de nattigheid toch niet in zodat het een uitgelezen moment was om je teeltkennis bij te schaven. Een oud gewas als voederbieten liet er zich herontdekken en wie het meer op nieuwigheden begrepen heeft, kon informatie vergaren over de teelt van soja en quinoa. De oplettende bezoeker zal achteraan in de schuur een machine opgemerkt hebben die nog een laagje verf nodig had. Aangezien het toestel op de Werktuigendagen aan het grote publiek voorgesteld wordt, kunnen we er niet veel meer over kwijt dan dat deze ‘pletwals’ de grondbewerking na de teelt van een groenbedekker op zijn kop zal zetten.

Een namiddag is te kort om op 15 plaatsen, ook al liggen ze op wandelafstand van elkaar, proefvelden te bezoeken. Daarom kregen de deelnemers aan de ‘open veld namiddag’ op het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek een luchtfoto van de proefvelden in Melle en Lemberge, een deelgemeente van Merelbeke. Aan de hand daarvan konden ze afgelopen vrijdag zelf een traject kiezen, de gewassen bekijken die hen het meest boeien en onderzoekers bevragen over aspecten die van belang zijn voor de eigen bedrijfsvoering.

Na me vergewist te hebben van de vaardigheid waarmee een Vlaams minister van Landbouw een proefveld quinoa oogst, trok uw VILT-redacteur naar een proefveld waar geëxperimenteerd wordt met bodembeheer in de biolandbouw. Daar begon het mij eindelijk te dagen wat er nu precies bedoeld wordt met het ‘kennisintensief’ zijn van agro-ecologische landbouw. Waar gangbare landbouw vooral kapitaalintensief durft te zijn, toont biolandbouw dat innoveren niet noodzakelijk duur hoeft te zijn. Waarover gaat het? Over maaimeststoffen die best vernieuwend zijn voor de Vlaamse landbouwpraktijk.

Maaimeststoffen? Van onderzoeker Koen Willekens vernemen we dat grasklaver gemaaid, gehakseld en vervolgens ingekuild werd. Niet om als rundveevoeder te dienen, maar als voeding voor de bodem, of de plant, het is maar hoe je het bekijkt. Waarom zou je in godsnaam al die moeite doen? De expert van ILVO zit niet om een antwoord verlegen: “Niet na elke teelt is het nog mogelijk om grasklaver of een andere groenbedekker te zaaien. Door een snede te maaien en in te kuilen van grasklaver die op een ander perceel als groenbedekker geteeld wordt, kan je het ingekuilde product als meststof toedienen aan een hoofdteelt die het zonder voorteelt van een groenbedekker moet stellen.”

Willekens wijst er ook op dat een bioboer met een maaimeststof de fosforproblematiek omzeilt want dierlijke mest aanvoeren kan sinds het vijfde mestactieprogramma botsen op aangescherpte fosfornormen. Dankzij de veldproef bij ILVO weten we nu ook dat een ingekuilde maaimeststof onderwerken praktisch geen problemen oplevert. Je zou het zelf niet willen uitproberen om dan bij de eerste poging tot bodembewerking al het gras op een hoopje te rijden. In een biologische teelt aardappelen had de grasklaver met ondiep inwerken een groter effect op de opbrengst dan wanneer er geploegd werd. Maar waar we helemaal versteld van staan, is dat ‘biopatatjes’ op goed ‘gesoigneerde’ grond nog 36,5 ton per hectare opleveren zonder enige vorm van bemesting: geen maaimeststof, geen compost en uiteraard ook geen kunstmest.

Het woord compost valt hier. Ik denk spontaan aan de compost die landbouwers en particulieren bij Vlaco kunnen afhalen, maar onderzoeker Bert Reubens legt me uit dat je compost perfect zelf kan maken. Bij ILVO valoriseren ze de plantaardige reststromen van hun proefvelden via compostering. Het eindproduct gaat als bodemverbeteraar opnieuw richting proefvelden voor bemestingsproeven. Zo wordt de nutriëntenkringloop gesloten. Op vlak van kwaliteit moet ‘boerderijcompost’ zeker niet onderdoen voor de groen- of GFT-compost die je eenvoudig kan bestellen maar waar de transportkost – die een stuk hoger ligt dan de prijs van de compost zelf – veel landbouwers afschrikt. Het eindproduct na boerderijcompostering is zo fijn dat het zelfs op grasland toegepast kan worden.

Voor een mooi resultaat is een compostkeerder een onmisbaar of op zijn minst handig werktuig. Met de machine wordt de composthoop regelmatig omgezet, op de juiste temperatuur gehouden en zo nodig wat beregend. Naast een moderne compostkeerder beschikt ILVO ook over een betonplaat onder de composthopen, met opvang van het verontreinigde water dat afspoelt. “Als de site er proper bij ligt en de composthoop met doeken is afgedekt, hoeft het regenwater dat van de betonplaat afstroomt niet opgevangen te worden. Als er wel een risico is op (nutriëntenrijk) lekwater uit de composthopen, dan wordt het water opgevangen in de citernes en hergebruikt bij het bewateren van de composthopen”, geeft Reubens nog mee.
Voor zuivere boerderijcompostering van bedrijfseigen materiaal mag het zelfs op een onverharde ondergrond als de compost op eigen grond wordt toegepast.

Vervolgens trekt een veld vol gele en witte bloemen de aandacht. Het blijkt om een lange aaneenschakeling van groenbedekkermengsels te gaan. Dat geeft landbouwers de kans om zich een eerste indruk te vormen van het al dan niet geslaagd zijn van een bepaald mengsel. Waar de teelt van een (enkelvoudige) groenbedekker als vanggewas/bodembedekker al enkele jaren ingeburgerd is, geldt het mengsel als iets nieuw voor de landbouwpraktijk. In het kader van de door Europa opgelegde vergroening telt de oppervlakte groenbedekkers op een landbouwbedrijf voor 30 procent mee als ecologisch aandachtsgebied. Maar alleen als ze uitgezaaid worden als een mengsel van soorten, en met een minimale zaaidichtheid.

De veldproef bij ILVO stelt een aantal mengsels van groenbedekkers voor met speciale aandacht voor grondbedekking, aaltjesbestrijding en het winnen van een voedersnede. Het veldbezoek van vrijdag liet landbouwers toe om met eigen ogen even na te gaan of de soorten in een mengsel elkaar in evenwicht houden. Daarmee weet je nog niet of een mengsel goed of slecht is want de eerste vorstperiode kan nog elementaire informatie opleveren.

Naast de groenbedekkers spot ik bieten, geen suiker- maar ouderwetse voederbieten. Alhoewel ouderwets, voederbieten zouden wel eens helemaal terug kunnen zijn van weg geweest. Dat komt door de Europese vergroeningseis om vanaf 30 hectare bouwland minstens drie teelten in de vruchtwisseling op te nemen. ILVO vergelijkt dit jaar drie nieuwe bietenrassen met de beste rassen die reeds in de handel verkrijgbaar zijn. Bij de beoordeling van voederbieten zijn opbrengst en tarra twee belangrijke parameters. Een landbouwer oogst immers graag zo veel mogelijk bieten met zo weinig mogelijk aanklevende aarde.

Speciale aandacht wordt besteed aan de weerstand van een variëteit tegen rhizoctonia. Deze bodemschimmel veroorzaakt immers opbrengst- en bewaarverliezen en is de voornaamste reden van het sterk gedaalde areaal voederbieten. Nu er resistente – of correcter, tolerante – variëteiten zijn, hoeft dat geen groot bezwaar tegen de teelt meer te zijn. Of voederbieten effectief aan een comeback bezig zijn, is voorlopig nog koffiedik kijken. De jongste areaalaangifte in de verzamelaanvraag wijst alvast op een bescheiden uitbreiding met 400 hectare tot een totaal van 3.281 hectare voederbieten in Vlaanderen. Volgens Joke Pannecoucque, de ILVO-specialiste in rassenonderzoek, haal je met voederbieten meer ‘energie’ van een veld dan met maïs of gras. “De VEM-waarde van voederbieten is hoger dan die van maïs”, zo luidt dat dan in het vakjargon.

Bron: VILT