Verklarende woordenlijst

Aerosolen of aerosol partikels

Een suspensie van vaste of vloeibare deeltjes die ontstaan in de lucht, met typische afmetingen van enkele nanometers tot 10 micrometer, en die minimum enkele uren in de atmosfeer verblijven. Aerosolen kunnen zowel van menselijke als van natuurlijke oorsprong zijn. Ze kunnen het klimaat op verschillende wijzen beïnvloeden: op directe wijze door straling te verstrooien en te absorberen, en op indirecte wijze door zich te gedragen als condensatiekernen voor wolken of ijskernen, waardoor ze de optische eigenschappen en de levensduur van wolken wijzigen. Atmosferische aerosolen –of ze nu anthropogeen of natuurlijk zijn– ontstaan op twee verschillende wijzen: (1) uit emissies van primair fijn stof, of (2) uit secundair fijn stof gevormd uit gasvormige precursoren. Het overgrote deel van de aerosolen is natuurlijk van oorsprong. Soms krijgen aerosolen een label volgens hun chemische samenstelling, bv. zeezout, organische koolstof, zwarte koolstof (black carbon), minerale deeltjes (vnl. woenstijnstof), sulfaten, nitraten, en ammoniak. Deze labels zijn echter niet correct omdat aerosolen typisch partikels van verschillende samenstelling combineren en complexe mengsels vormen.

Adaptatie

Het proces van aanpassing aan de huidige of verwachte klimaatomstandigheden en zijn effecten. In humane systemen zal men via adaptatie trachten om minder of geen schadelijke effecten te ondervinden of voordeel te halen uit bepaalde kansen die zich voordoen. In een aantal natuurlijke systemen kan de tussenkomst van de mens helpen bij de aanpassing aan verwachte klimaatomstandigheden en zijn effecten.

Albedo

Albedo is de fractie van het zonlicht dat gereflecteerd wordt door een oppervlak of een object, vaak uitgedrukt als een percentage. Besneeuwde oppervlakten hebben een hoge albedo-waarde. Bodems bedekt met vegetatie en oceanen hebben een lage albedo. Onbedekte bodems hebben uiteenlopende albedo-waarden die variëren tussen hoog en laag. De albedo-waarde van de aarde vanuit de ruimte bekeken varieert nogal door de wisselende aanwezigheid van wolken, sneeuw, ijs, bebladerde oppervlakten en bodembedekking.

Anthropogeen

Van humane oorsprong, veroorzaakt door menselijke activiteiten. Zie ook emissies.

Atmosfeer

De atmosfeer is de gasvormige laag rond de aarde die is opgebouwd uit 5 lagen: de troposfeer -die de halve atmosfeer van de aarde beslaat-, de stratosfeer, de mesosfeer, de thermosfeer, en de exosfeer die de uiterste begrenzing van de atmosfeer vormt. De droge atmosfeer is bijna volledig opgebouwd uit stikstofgas (78.1 %vol of % op volumebasis,) en zuurstof (20.9 %vol), aangevuld met een aantal spoorgassen zoals argon (0.93 %vol), helium, en actief stralende broeikasgassen zoals koolstofdioxide (CO2, 0.035 %vol) en ozon (O3). Daarnaast bevat de atmosfeer ook waterdamp (H2O), een broeikasgas dat sterk varieert in concentratie maar typisch rond de 1 %vol schommelt. De atmosfeer bestaat verder uit wolken en aerosolen.

AR: assessment report

Rapport van het International Panel on Climate Change of IPCC met zeer uitgebreide gegevens omtrent de klimaatsverandering. Het omvat onder meer feiten, technische beschrijvingen, en mitigatie- en adaptatiemaatregelen. Het rapport met de meest recente cijfers is ‘the fifth assessment report’ –AR5– dat verscheen in 2014. Het 6de AR wordt voorzien tegen 2022. Een AR bestaat uit drie onderdelen die door experten in werkgroepen (Working Groups) worden voorbereid. Working Group I rapporteert over de fysische wetenschappelijke basis en voortschrijdende evidenties voor klimaatsverandering. Working Group II beschrijft de impacten, adaptatie, en kwetsbaarheden. Working Group III omschrijft mitigatie.

BKG: broeikasgas

Een gas dat een opwarmend effect heeft op de atmosfeer doordat het warmtestraling absorbeert en weer uitstraalt (‘weerkaatst’). De aarde straalt warmte uit. Deze warmte verlaat grotendeels de atmosfeer, maar wordt gedeeltelijk door broeikasgassen weerkaatst. Broeikasgassen fungeren als een soort isolatiedeken omheen de aarde dat leven op aarde mogelijk maakt. Men spreekt van een broeikaseffect. Wanneer dit deken van gassen te dik wordt, wordt er teveel warmte vastgehouden met allerlei verstrekkende gevolgen voor het klimaat en de opwarming ervan. De voornaamste broeikasgassen in de atmosfeer zijn waterdamp (H2O), koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), ozon (O3), en lachgas (N2O).

Bijproduct

Restmateriaal geproduceerd tijdens een productieproces van een plantaardig of dierlijk product, maar dat niet het primaire doel uitmaakt van het productieproces (bv. perskoek, huiden, stro, enz.).

CFP: carbon footprint of koolstofvoetafdruk

De carbon footprint drukt uit in welke mate een productieproces bijdraagt aan de opwarming van de aarde. Dit wordt gerapporteerd als de som van het totale opwarmend effect of de ‘global warming potential’ van alle uitgestoten broeikasgassen tijdens het productieproces en wordt gewoonlijk uitgedrukt in kg of ton carbon dioxide equivalent (CO2-eq) per eenheid output.

CH4

Methaan, één van de zes BKG die onder het Kyoto Protocol gemitigeerd moeten worden. Methaan is de voornaamste component van aardgas en wordt geassocieerd met alle koolwaterstofgebaseerde brandstoffen. Belangrijke methaanemissies zijn afkomstig uit de landbouw en de dierhouderij. Maar, het bedrijfsmanagement bij zowel dierlijke als plantaardige productie kan potentieel sterk bijdragen aan mitigatie van BKG vanuit landbouw. Voor de GWP van CH4: zie GWP.

CO2

Koolstofdioxide. Een van nature voorkomend gas dat ook gevormd wordt bij de verbranding van fossiele brandstoffen uit fossiele koolstofafzettingen zoals olie, gas, en kool en bij de verbranding van biomassa. CO2 komt ook vrij ten gevolge van een verandering in landgebruik (Land Use Change of LUC) en bij industriële processen zoals bv. bij cementproductie. Het is het voornaamste antropogeen broeikasgas dat de stralingsbalans van de aarde beïnvloedt. CO2 is het referentiegas waartegen andere BKG worden afgemeten en het heeft een GWP gelijk aan 1.

CO2-eq: CO2 equivalenten

CO2 equivalenten kwantificeren hoe sterk het opwarmend effect van een broeikasgas is. Niet alle broeikasgassen hebben eenzelfde opwarmend effect. Om de schade die deze gassen toebrengen aan het milieu onderling te kunnen vergelijken en om de hoeveelheid broeikasgassen in de atmosfeer kwantitatief en in één cijfer te kunnen uitdrukken, rekent men met CO2-equivalenten of CO2 equivalente emissies. Het CO2-equivalent van een (mengsel van) broeikasgas(sen) is de hoeveel CO2 (in kg) nodig om eenzelfde opwarming of stralingsforcering geïntegreerd over de tijd te veroorzaken binnen een gegeven tijdshorizont. De omzetting in CO2 equivalenten hangt dus af van de tijdshorizont waarop men kijkt: bv. 20 jaar of 100 jaar. Dit is zo omdat het effect van een broeikasgas variabel is in de tijd. Enerzijds heeft een broeikasgas een specifieke verblijftijd in de atmosfeer, en anderzijds kent de interactie van het gas met de atmosfeer een bepaald verloop in de tijd. Methaan heeft een grotere impact wanneer je het bekijkt over een periode van 20 jaar tegenover een periode van 100 jaar. Voor lachgas liggen de waarden op 20 en 100 jaar dicht bij elkaar. CO2 eq worden berekend door de emissie van een broeikasgas te vermenigvuldigen met zijn global warming potential (GWP) voor de gegeven tijdshorizont. Wanneer een carbon footprint berekend wordt, moet steeds worden gedocumenteerd welke tijdshorizont en welke bron werd gehanteerd voor de global warming potential of GWP-waarden. Zie ook GWP.

Co-product

Output van een productie-activiteit die meer dan één output voortbrengt. Melk, vlees, mest en huiden zijn bijvoorbeeld co-producten van de melkproductie. Eventuele diensten die ook geleverd of geproduceerd worden (bv. trekkracht), zijn geen co-producten.

Gewasresten

Plantaardig materiaal dat achterblijft op het veld na de oogst van het hoofdgewas (bv. stro).

Directe energie

Energie die op het landbouwbedrijf gebruikt wordt voor de dierlijke of plantaardige productie, bv. voor verlichting, verwarming, melkwinning, melkkoeling, tractor, enz.

Ecosysteemdiensten

Ecologische processen of functies die al dan niet een monetaire waarde hebben voor individuen of voor de gemeenschap. Ecosysteemdiensten worden vaak onderverdeeld naargelang ze (1) een ondersteunende dienst verlenen, zoals het behoud van productiviteit of biodiversiteit; (2) zaken leveren zoals voedsel, vezels of vis; (3) een regulerende dienst leveren zoals klimaatregulatie of koolstofopslag; en (4) culturele diensten leveren zoals toerisme, spirituele beleving of esthetische waardering.

Emissiefactor

Emissies per eenheid activiteit. Deze wordt uitgedrukt in CO2-eq/activiteit en wordt ook koolstofintensiteit (carbon intensity) genoemd.

Emissies

Er worden verschillende categorieën emissies onderscheiden. Ze worden hier apart besproken.

Emissies vanuit de landbouw

Emissies die geassocieerd worden met landbouwproductiesystemen, vnl. methaan (CH4) en lachgas (N20). Hiertoe behoren emissies afkomstig van enterische fermentatie bij landbouwhuisdieren (vnl. runderen), mestbeheer en emissies uit bodems.

Anthropogene emissies

Emissies van broeikasgassen, aerosolen, en precursoren van broeikasgassen of aerosolen veroorzaakt door menselijke activiteiten. Deze activiteiten omvatten ondermeer het verbranden van fossiele brandstoffen, ontbossing, veranderingen in het landgebruik (LUC), dierlijke productie, bemesting, afvalbeheer, en industriële processen.

Directe emissies

Emissies die fysiek vrijkomen bij activiteiten binnen wel afgelijnde (systeem)grenzen van bv. een regio, een economische sector, een bedrijf, of een proces.

Indirecte emissies

Emissies die het gevolg zijn van activiteiten binnen wel afgelijnde grenzen van bv. een regio, een economische sector, een bedrijf, of een proces, maar die fysiek vrijkomen buiten de gekozen (systeem)grenzen. Bv. emissies ten gevolge van warmteproductie of elektriciteitsproductie die fysiek vrijkomen buiten de grenzen van de consument van de warmte of de elektriciteit (of de grenzen van de energieleverende sector), worden indirecte emissies genoemd.

Ingebedde emissies of ‘embedded emissions’

Emissies die ontstaan bij de productie of de levering van een product of een dienst of bij het bouwen van infrastructuur. Afhankelijk van de gekozen systeemgrenzen, zijn stroomopwaartse emissies –emissies die zich vroeger in de keten voordoen– vaak inbegrepen, bv. emissies die vrijkomen bij de extractie van grondstoffen.

Emissie-intensiteit (Ei)

Emissies per eenheid output, uitgedrukt in kg CO2 eq per eenheid output (bv. kg CO2 eq per kg melk).

Energie-efficiëntie

De verhouding van de bruikbare energie-output van een system, een conversieproces, of een activiteit, t.o.v. de energie-input.

Energie-intensiteit

De verhouding energiegebruik t.o.v. de economische of fysische output.

Enterische fermentatie

Enterische fermentatie is een verteringsproces dat enkel voorkomt bij herkauwers, en waarbij koolhydraten omgezet worden tot eenvoudige moleculen die geabsorbeerd kunnen worden in de bloedstroom van de dieren. De afbraak gebeurt door micro-organismen die aanwezig zijn in de pens van het dier. Bij dit proces komt methaan vrij. Enterische fermentatie is één van de grootste bronnen van BKG vanuit landbouw.

Fijn stof of Particulate matter (PM)

Erg kleine vaste stofdeeltjes of partikels die vrijkomen (worden uitgestoten) bij de verbranding van fossiele brandstoffen of biomassa. Men spreekt van emissies van fijn stof. Fijn stof is een verzamelnaam voor een grote diversiteit aan substanties, en wordt onderverdeeld in categorieën naargelang de grootte van de deeltjes. Partikels met een diameter kleiner dan of gelijk aan 10 nm (PM10) zijn het schadelijkst voor de gezondheid omdat ze de longen kunnen binnendringen.

GHG: greenhouse gas

Zie BKG, broeikasgas.

GWP: global warming potential of opwarmend effect

De GWP wordt gedefinieerd door het IPCC als indicator die het relatieve effect weergeeft van een BKG in termen van zijn bijdrage aan de klimaatverandering in vergelijking met dezelfde massa CO2 en beschouwd binnen een vaste tijdsperiode, bv. 100 jaar. De GWP geeft dus aan hoe sterk een bepaald gas warmte vasthoudt in de atmosfeer. Dit hangt af van de structuur van de molecule, maar ook van diens verblijftijd in de atmosfeer. Per definitie is de GWP van koolstofdioxide (CO2) gelijk aan 1. Voor de overige broeikasgassen - waarvan lachgas (N2O) en methaan (CH4) de meest gekende zijn- wordt de GWP uitgedrukt ten opzichte van CO2. Methaan houdt 28 keer meer warmte vast dan CO2, maar wordt vrij snel weer afgebroken -na 12 jaar- in vergelijking met lachgas. Lachgas verblijft wel 120 jaar in de atmosfeer en houdt 265 keer zoveel warmte vast als CO2. CO2 wordt na 100-200 jaar afgebroken.

De meest recente waarden die door de huidige wetenschappelijke inzichten worden bepaald, staan beschreven in het 5de Assessment Report van het International Panel on Climate Change (IPCC)1. Onderstaande tabel geeft deze waarden weer voor methaan en lachgas. CO2 is het referentiegas en werd voor de volledigheid toegevoegd aan deze tabel. Deze waarden zijn exclusief climate–carbon feedbacks2  omwille van de grote onzekerheid die daarmee samenhangt.

GWP-waarden zijn terug te vinden in het IPCC rapport ‘ Climate Change 2013: The Physical Science Basis’, hoofdstuk 8 ‘Anthropogenic and Natural Radiative Forcing’.

2 Bij de berekening van de GWP-waarden kan en moet ook rekening gehouden worden met feedbacks (effecten resulterend uit interacties met andere gassen) en indirecte effecten. Op dit moment is de manier waarop deze indirecte effecten en feedbacks worden ingerekend, niet consistent. In het 4de AR werden enkel climate–carbon feedbacks voor het referentiegas CO2 ingerekend, maar niet voor de andere gassen. Deze feedbacks hebben nochtans een beduidende impact op de GWP-waarden (die toenemen), en dus is consistentie van groot belang. Verder onderzoek is nodig (Myhre et al., 2013).

Tabel met meest recente GWP waarden of CO2 equivalenten uit het 5de Assessment Report (5AR) van het IPCC (2013). Bron: Myhre et al., 2013:

Broeikasgas Symbool Levensduur (jaar) 20 jaar 100 jaar
Koolstofdioxide
CO2
100-200
1
1
Methaan
CH4
12.4
84
28
Lachgas
N2O
121.0
264
265

Indirecte energie

Energie die vervat zit in een bepaalde input of product dat op het landbouwbedrijf wordt gebruikt, of ook: energie die gebruikt wordt tijdens de aanmaak van de (aangekochte) inputs zoals plantbeschermingsmiddelen, kunstmeststoffen, infrastructuur, enz. die op het landbouwbedrijf worden gebruikt.

IPCC: Intergovernmental Panel on Climate Change

Het IPCC is hét toonaangevend internationaal orgaan dat de klimaatsverandering en de gevolgen ervan bestudeert en hierover rapporteert. O.a. het opwarmend effect of de GWP van broeikasgassen wordt voortdurend herbekeken door wetenschappers. Het IPCC voert zelf geen onderzoek uit en doet niet aan datamonitoring. Het reviewt en beoordeelt de meest recente relevante wetenschappelijke, technische, en socio-economische inzichten die wereldwijd worden gepubliceerd en die bijdragen tot meer inzicht in de (effecten van) klimaatverandering. Nieuwe bevindingen worden gerapporteerd in Assessment Reports of AR (zie AR). Naast de AR’s bereidt het IPCC ook specifieke rapporten voor zoals het SR15, Special Report on global warming of 1.5°C. SR15 bespreekt de impact van een wereldwijde temperatuurstijging van 1.5°C t.o.v. het pre-industriële niveau en de bijbehorende broeikasgasemissies met als doel de wereldwijde respons op de klimaatverandering te versterken. Het IPCC werd in 1988 opgericht door het milieuprogramma van de Verenigde Naties (UNEP, United Nations Environment Programme) en de World Meteorological Organization (WMO). Momenteel zijn 195 landen lid van het IPCC. De regeringen van deze landen lezen de rapporten van het IPCC na, keuren ze goed, en staan in voor de implementatie ervan.

Koolstofdioxide

C2O, zie CO2

Kyotoprotocol

Het Kyotoprotocol is een conventie van de Verenigde Naties, meerbepaald de United Nations Framework Convention on Climate Change (UNFCCC), en werd in 1997 aangenomen in Kyoto, Japan. Het Kyotoprotocol bevat wettelijk bindende afspraken die gelden bovenop de afspraken in het UNFCCC. Het Kyotoprotocol ging van kracht op 16 februari 2005. Landen verbinden zich er toe om hun anthropogene broeikasgasemissies (CO2, CH4, N2O, hydrofluorocarbonaten (HFC’s), perfluorocarbonaten (PFC’s), en zwavelhexafluoride (SF6) te verlagen t.o.v. 1990 in de periode 2008 – 2012.

Lachgas

N2O, zie N2O.

LCA: Life Cycle Assessment of levenscyclusanalyse

Wetenschappelijke methode om de impact van een productieproces of deelproces op het milieu te becijferen in termen van schadelijke emissies en gebruik van grondstoffen. Emissies naar bodem, water, en lucht worden beschouwd. Grondstoffencategorieën zijn onder meer water, fossiele grondstoffen, mineralen, metalen, en energie (hernieuwbaar, nucleair, fossiel). Emissies worden gekwantificeerd en hun schadelijk effect wordt uitgedrukt per impactcategorie die beschouwd wordt (bv. eutrofiëring, verzuring, klimaatopwarming, landgebruik, fijnstofvorming) in de bijbehorende equivalenten. Bijvoorbeeld, Voor bijdrage aan de klimaatopwarming rekent men in CO2-equivalenten voor de bijdrage aan de klimaatopwarming, PO43- equivalenten voor de bijdrage aan de eutrofiëring. SO2 equivalenten voor de bijdrage aan de verzuring. De systeemgrenzen bepalen wat er allemaal mee ingerekend wordt, gaande van enkel in- en outputstromen van één enkele processtap (gate to gate) tot de ganse levenscyclus (cradle to gate zonder consumptie of cradle to grave met consumptie en afvoerfase).

LCIA: Life Cycle Impact Assessment

De stap binnen een LCA waarbij de effectieve berekeningen worden uitgevoerd op basis van de gekozen impactcategorieën en volgens de gekozen berekeningsmethode (bv. IPCC 2013, ReCiPe, CEENE, enz.).

LU: Land Use

of landgebruik.

LUC: Land Use Change of wijziging in landgebruik.

Zie LULUCF. Met LUC worden enkel de broeikasgasmissies aangeduid die ontstaan bij wijziging van het landgebruik.

LULUCF: Land Use, Land Use Change, and Forestry of Landgebruik, wijziging in landgebruik, en bosbouw

– ook landconversie genoemd. Met LULUCF of LULUC (een term die vaker wordt gebruikt), worden broeikasgasemissies aangeduid die ontstaan bij landgebruik of wijziging van het landgebruik. Een gekend voorbeeld is ontbossing ten voordele van sojateelt of palmolieplantages. Het achterliggende mechanisme is het ingrijpen op het koolstofreservoir op aarde. Atmosferische CO2 wordt opgeslagen in terrestrische ecosystemen. Koolstofopslag gebeurt zowel in de bodem als in de vegetatie. Hierdoor wordt het broeikasgas uit de atmosfeer verwijderd. Dit proces van koolstofopslag is echter omkeerbaar. Menselijke activiteiten zoals (wijziging in) landgebruik en bewerking en bosbouwactiviteiten beïnvloeden de totale hoeveelheid opgeslagen koolstof , die ook koolstofput of koolstofreservoir (carbon sink) wordt genoemd.

Methaan

CH4, zie CH4.

Methaanconversiefactor

Het aandeel organisch materiaal (vanuit de mest) dat effectief in CH4 wordt omgezet, of ook: percentage aan maximale methaanproducerende capaciteit van de mest. Dit geeft aan hoeveel methaan uit mest kan gewonnen worden.

Mitigatie

Mitigatie (van klimaatverandering) duidt op menselijke interventies gericht op het verminderen van de (emissie)bronnen van broeikasgassen of het verhogen van de opslag of captatie van broeikasgassen. Binnen de context van klimaatverandering wordt mitigatie ook ruimer gezien als het verminderen van bronnen van andere substanties die direct of indirect bijdragen aan het beperken van de klimaatverandering. Denk hierbij aan het verminderen van fijn stofemissies –met een direct effect op de stralingsbalans– of maatregelen die emissies regelen van stikstofoxiden (NOx), vluchtige organische componenten (VOC’s) en andere polluenten die de concentratie aan troposferische ozon (O3) kunnen wijzigen (wat onrechtstreeks een effect heeft op het klimaat).

N2O

Stikstofdioxide of ook lachgas genoemd. Het is één van de zes BKG die onder het Kyoto Protocol gemitigeerd moeten worden. Landbouw is de voornaamste antropogene bron van N2O via bodem- en mestbeheer, maar ook de afvalwaterzuivering, het verbranden van fossiele brandstoffen, en chemische industriële processen leveren een aanzienlijke bijdrage. N2O wordt ook natuurlijk aangemaakt door allerlei biologische processen in bodem en water. Voor de GWP van N2O: zie GWP.

Ozon. O3

Ozon is een gasvormige, drie-atomige vorm van zuurstof en komt voor in de atmosfeer (troposfeer). Ozon wordt natuurlijk gevormd of door fotochemische reacties met gassen die door menselijke activiteiten ontstaan, zogenaamde smog. In de troposfeer gedraagt O3 zich als een broeikasgas. In de stratosfeer wordt ozon gevormd door interactie tussen UV-straling en de aanwezige zuurstofmoleculen (O2). Stratosferische O3 speelt een cruciale rol in de stralingsbalans van de stratosfeer.

Precursoren

Atmosferische componenten die geen broeikasgassen of aerosolen zijn, maar die een invloed hebben op hun concentratie door deel te nemen aan fysische of chemische processen die de productie- en afbraaksnelheden van broeikasgassen en aerosolen controleren.

Radiative forcing

Zie stralingsforcering.

Stikstofdioxide

N2O, zie N2O.

Stralingsforcering

Stralingsforcering is de verandering in de netto stralingsflux (i.e. inkomende min uitgaande straling) in W/m² bovenaan de atmosfeer te wijten aan een verandering in een externe driver voor klimaatsverandering zoals de CO2-concentratie of de zonne-output. De verandering wordt uitgedrukt t.o.v. een referentiejaar, 1750 voor het IPCC, en beschouwt een globaal en jaarlijks gemiddelde waarde.

© Expertisecentrum Landbouw en Klimaat (ELK)