Nieuwsoverzicht

Huidige artikelen | Categories | Zoek

Thema-nieuwsgolf 'Bodem' - oktober 2014

Niet-kerende bodembewerking en groenbemesting in de biologische landbouw

Niet-kerende bodembewerking en het telen van groenbemesters kúnnen hand in hand gaan met goede gewasproducties indien bodemverdichting wordt tegengegaan en indien de vernietiging van de groenbemester op de juiste manier gebeurt. Dat blijkt uit onderzoek uitgevoerd door ILVO en Inagro aan de hand van meerjarige veldproeven met grasklaver als groenbemester.

Tilman-org: a european networkVoor de biologische landbouw houdt de combinatie permanente bodembedekking – gereduceerde bodembewerking een aantal reële of vermeende uitdagingen in. Want hoe vernietig je de groenbemester zonder kerende bodembewerking? En wat gebeurt er met de nutriënten en koolstofdynamiek in de bodem in zo’n systeem? Een antwoord op die vragen werd gezocht aan de hand van een meerjarige proefopzet op een biologisch perceel waar twee jaar voordien grasklaver als groenbemester was ingezaaid. De vernietiging van de grasklaverzode vond ofwel in maart plaats na één maal de grasklaver geklepeld te hebben, ofwel in mei, waarbij nog het onderscheid gemaakt werd tussen drie maal klepelen van een jong gewas en het maaien en afvoeren van een volwaardige snede. De hoeveelheid stikstof die toegediend werd via jonge, groene plantendelen was het hoogst bij herhaald klepelen en het laagst bij afvoer van een snede. De vernietiging van de grasklaver gebeurde door een oppervlakkige bewerking met een cultivator (Actisol®) met vleugels op de tanden. De hoofdbodembewerking werd uitgevoerd, hetzij op kerende wijze met de ploeg hetzij op niet-kerende wijze met dezelfde cultivator (zonder vleugels, enkel beitels) tot op een diepte vergelijkbaar met de ploegdiepte. Vroege vernietiging leidde tot de hoogste minerale stikstofvoorraad in de 0-60 cm bodemlaag in het groeiseizoen en tot de hoogste stikstofresiduwaarden (reststikstof in de 0-90 cm bodemlaag) in het najaar. Late vernietiging met herhaald klepelen gaf echter de hoogste marktbare opbrengst van het volggewas prei (36,4 ton per ha, 15% hoger dan bij afvoeren van de snede). Een hogere stikstofresiduwaarde en een relatief lager aandeel van die reststikstof in de 0-60 cm bodemlaag ingeval van vroege vernietiging hield bijgevolg het hoogste uitspoelingsrisico in.

prei  bodembewerking

De prei werd laat geoogst (december) wat de inzaai van een groenbemester belette waardoor de bodem onbegroeid en verdicht de winter in ging. Die verdichting onderin de bouwlaag werd in het voorjaar niet afdoende opgeheven door een niet-kerende bodembewerking, wat leidde tot een lagere stikstofbeschikbaarheid in de 0-60 cm bodemlaag en een 14% lagere opbrengst bij het volggewas knolselder. Ingeval van ploegen kwam de verdichte grond in de toplaag te zitten ten nadele van de jeugdgroei (visueel, niet gekwantificeerd) maar blijkbaar niet ten nadele van de marktbare opbrengst (44,2 ton per ha). De bemesting van de knolselder gebeurde met een maaimeststof, met name gehakselde en ingekuilde grasklaver. Deze bemestingsvorm werd in drie doses toegepast: een nuldosis en ca 10 en 20 ton per hectare. De maaimeststof verhoogde de opbrengst in evenredigheid met de toegepaste dosis. In het tweede proefjaar werd een extra factor ‘bodemverbeterende middelen’ aan het proefopzet toegevoegd. Er werd, naast een blanco, boerderijcompost op basis van kippenmest, populierenschors, houtsnippers, grasmaaisel, hooi en stro toegepast a rato van 33 ton per hectare. De composttoepassing verhoogde de opbrengst met 18% wat wellicht in verband stond met een hoger aanbod aan voedingsstoffen.

De bodemrespiratie piekte eerder op het jaar bij de vroege vernietiging van grasklaver. In het tweede proefjaar stemde het niveau van bodemrespiratie overeen met de dosering van de grasklaver. Tot in de zomer van het tweede proefjaar werd een hogere bodemrespiratie gemeten op de proefvlakken die kerend bewerkt werden, maar bij aanvang van de herfst deed zich het omgekeerde voor.

Niet-kerende bodembewerking op lichte gronden heeft slechts kans op slagen ingeval de bodemverdichting door oogstwerkzaamheden in het najaar voldoende wordt opgeheven, bij voorkeur met inzaai van een groenbemester die zich nog voldoende ontwikkelt. In die zin gaan niet-kerende bodembewerking en groenbemesting hand in hand voor het realiseren van goede gewasproducties. Een goede timing bij de vernietiging van een groenbemester is bepalend voor de benutting door het volggewas van de stikstof die vrijkomt uit de groenbemester.

Meer weten? ILVO-mededeling 171 - Hoofdstuk 4
Financiering: Departement Landbouw en Visserij in het kader van CORE Organic II ERA-NET, ILVO
Looptijd: 2011-2014
Contact: Koen Willekens