Groenbedekkers

Een groenbedekker heeft een gunstige invloed op de structuur van de bodem. In het kader van de milieuproblematiek krijgt het gebruik van groenbedekkers een extra dimensie: voorkomen van uitspoeling van nitraten in de herfst- en winterperiode en ervoor zorgen dat de nutriënten voor de volgende teelt beschikbaar zijn.

Overzicht van de groenbedekkers en hun verschillende kenmerken

Gewas Zaaitijdstip Zaaihoeveelheid
(kg/ha)
Bodembedekking
(1-9)1
Vorstgevoeligheid
Bladrammenas 10 juli - 15 augustus ± 20 9 Sterk
Gele mosterd juli - augustus ± 20 9 Sterk
Zomerwikken juli - 10 augustus ± 100 7 Sterk
Winterwikken 15 september - 15 oktober ± 85 5 Weinig tot
zeer weinig
Facelia 10 juli - 31 augustus ± 10-12 7 Sterk
Westerwolds raaigras augustus - september ± 40 (diploïd)
± 60 (tetraploïd)
9 Matig
Italiaans raaigras augustus - 10 oktober ± 40 (diploïd)
± 60 (tetraploïd)
9 Enigzins
Engels raaigras augustus - 10 oktober ± 30 (diploïd)
± 40 (tetraploïd)
7 Weinig
Rogge (winterrogge) oktober ± 150 6 Weinig tot
zeer weinig

1 Hoe hoger het cijfer, hoe beter

Grondsoort

De keuze van de groenbedekker wordt soms beperkt door het bodemtype. Zo kunnen voederwikken enkel uitgezaaid worden op een klei - of leembodem. Rogge zaait men het beste uit op een leem- of zandbodem.
Op slempgevoelige, natte gronden, wordt de voorkeur gegeven aan grassen omwille van hun intensieve beworteling om structuurschade te voorkomen.

Kosten van de teelt en stikstofnawerking

De kosten van de teelt worden hoofdzakelijk bepaald door de zaaizaadkosten en de stikstofbemesting. Voor een optimale groei is een bemesting van 40 tot 50 eenheden stikstof bij inzaai van de groenbedekker ruim voldoende. Dikwijls wordt er geen N toegediend omdat de groenbedekkers ook tot doel hebben de aanwezige N van de bodem op te nemen en te vrijwaren van uitspoeling. De zaaizaadprijs van wikken is hoger dan van de andere groenbedekkers. Daarentegen vragen wikken weinig of geen N-bemesting. De kans op slagen (opkomst, bodembedekking) is wel groter bij grassen, granen en kruisbloemige gewassen.
Wat de stikstofnalevering voor het volgende gewas betreft wordt bij de grassen en kruisbloemige gewassen rekening gehouden met een nalevering van maximum 40 kg N/ha; bij vlinderbloemige gewassen is dit maximum 60 kg N/ha. De vrijgestelde hoeveelheden zijn afhankelijk van de ontwikkeling van de groenbedekker, het weer en het in het volgende jaar te telen gewas.

Stikstofvastleggging

Door een groenbedekker na het hoofdgewas te telen wordt stikstofuitspoeling voorkomen. Gele mosterd heeft in de lichte gronden een vastlegging van 75 – 95 kg stikstof per hectare; in de iets zwaardere gronden varieert dit van 120 tot 160 kg stikstof per hectare. Bladrammenas heeft nog een veel groter potentieel inzake stikstofvastlegging bovengronds van 90 tot 120 kg stikstof per hectare op de lichtere gronden; op de zwaardere gronden van 200 tot 240 kg per hectare.

Na vroege consumptieaardappelen en pootaardappelen kunnen gele mosterd, bladrammenas, Italiaans en Westerwolds raaigras worden uitgezaaid. Na maïs en late aardappelen kunnen nog grassen, winterrogge en winterwikken worden ingezaaid. In het daarop volgende jaar moet men bij de N-bemesting rekening houden met de vrijkomende N uit de groenbedekker. Zoniet, dan bespaart men niet op de N- bemesting, kan verbranding het gewas schaden en verhoogt de kans op N-uitspoeling. Van alle groenbedekkers beperkt gras het best de N-uitspoeling, doordat het zowel vóór als na de winter stikstof opnemen. De totale bovengrondse N-opname door het gras is iets lager dan bij mosterd, doordat gras minder snel groeit dan mosterd.

Grondbedekking

Met een snelle beginontwikkeling gaat meestal een goede grondbedekking gepaard, waardoor het onkruid onderdrukt wordt. Bovendien is een goede bedekking belangrijk om structuurbederf door zware regenval, uitdrogen en stuiven tegen te gaan. Bij eventuele late inzaai is het aangewezen de zaadhoeveelheid te verhogen; zo wordt een vluggere grondbedekking verkregen. Neem dan bij voorkeur vroege rassen die in het algemeen over een snelle grondbedekking beschikken.

Wortelontwikkeling en binding van de grond

Kruisbloemige gewassen bezitten een diepe penwortel, wat de doorlaatbaarheid van de bodem bevordert. Grassen met hun meer oppervlakkige intensieve beworteling geven vooral na het ploegen een goede samenhang van de grond. Op slempgevoelige grond is de wortelontwikkeling van de groenbedekker belangrijk om structuurbederf te voorkomen. Op deze gronden geeft men de voorkeur aan gras om als groenbedekker in te zaaien.

Vorstgevoeligheid

In een volgroeid stadium zijn alle kruisbloemige groenbedekkers vorstgevoeliger. Vroege rassen zijn daarom ook vorstgevoeliger dan late rassen. Vorstgevoeligheid is een voordeel voor een groenbedekker, maar enkel wanneer die nachtvorst niet te vroeg optreedt. Vorst vergemakkelijkt het onderploegen en de kans voor opslag in het volgende jaar daalt (geen zaadzetting). Winterwikken zijn in tegenstelling tot zomerwikken minder gevoelig voor vorst.

Vruchtwisseling in verband met de kans op ziekten en plagen

Kruisbloemigen, zoals bladrammenas en gele mosterd, zijn waardplanten voor het witte en het gele bietencystenaaltje. Door de teelt van niet-resistente waardplanten kan de aaltjespopulatie toenemen. Kiest men echter voor resistente waardplanten, dan kan eventueel een snellere afname van de aaltjespopulatie bereikt worden indien de aaltjes wel gelokt worden, maar er geen vermeerdering optreedt. Aanlokken van larven is enkel mogelijk bij voldoende hoge bodemtemperaturen. In de nazomer is de bodemtemperatuur meestal te laag om de larven effectief te lokken. Bij uitzaai na 1 augustus mag daarom niet worden verwacht dat een belangrijke biologische bestrijding van het bietencystenaaltje zal worden verkregen. Maar in het belang van de bietenteelt is het in ieder geval ongewenst groenbedekkers te gebruiken die vatbaar zijn voor het bietencystenaaltje.
Om knolvoet te voorkomen kunnen knolvoetresistente kruisbloemige gewassen zoals bladrammenas worden ingezet. Grassen zijn omwille van de fritvlieg een minder geschikte groenbedekker voor granen. Wikken zijn ongewenst bij de aanwezigheid van het erwtencystenaaltje.

©Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) - - Contact
Vermenigvuldiging of overname van gegevens toegestaan mits duidelijke bronvermelding.