Tien bodemgeboden

Om 2015, het Internationaal Jaar van de Bodem, in schoonheid af te sluiten maakten de bodemonderzoekers van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) een lijstje met tien bodemgeboden. Tien vuistregels die je bodem in goede conditie houden en hem optimaal laten renderen. “Bovenal bemin je grond, en daal van je tractor af op tijd en stond”, zo klinken nummer één en twee al rijmend. Als bodem-minnende landbouwer leer je best ook de overige acht uit het hoofd.

Je kon in 2015 haast niet om de bodem heen. De grond onder onze voeten werd door de Verenigde Naties op een voetstuk geplaatst omdat een gezonde bodem het alfa en omega van een gezonde, duurzame voedselproductie is en omdat we daar nog te weinig bij stilstaan. Daar moeten de tien geboden die de ILVO-bodemonderzoekers op papier zetten, verandering in brengen. We overlopen samen met u het lijstje.


1. Bovenal bemin je grond

De bodem is het natuurlijke kapitaal van elk landbouwbedrijf, en een bodem in goede conditie is essentieel voor een geslaagde teelt. De bodem verdient daarom voldoende aandacht. Een bodem in een goede toestand zorgt voor een optimale benutting van voedingsstoffen, voorziet in voldoende lucht en water voor de planten, is sterk en goed bestand tegen erosie en verslemping, en maakt de planten weerbaar tegen ziektes. Een optimale bodemconditie wordt steeds belangrijker, vooral omdat een slechte bodemtoestand niet zo gemakkelijk recht getrokken kan worden door het toedienen van meer meststoffen of gewasbeschermingsmiddelen.

2. Daal van je tractor af op tijd en stond

De huidige landbouwmachines zijn groot en vaak comfortabel om op te zitten. De afstand tussen de boer en de bodem wordt daarom steeds groter. Het loont echter om af en toe terug af te dalen en letterlijk met beide voeten op de grond te komen. Tot hoe diep moet de grond worden losgemaakt? Bereik ik wel de gewenste bewerkingsdiepte? Zitten er storende lagen in de grond die de wortelgroei hinderen? Is de grond niet te nat? In het veld wandelen met een prikstok of een spade om storende lagen te kunnen opsporen of in te schatten hoe vochtig de grond is: dit helpt om de juiste bewerkingen en het juiste tijdstip te kiezen. De regel is: bewerk niet dieper dan nodig.

3. Heilig steeds de wet van eten en worden gegeten

In de bodem krioelt het van minuscuul kleine tot iets grotere bodemorganismen die leven van plantenresten, van stoffen die door wortels worden afgescheiden, van organische meststoffen en last but not least, van elkaar. Die bodemorganismen zijn onmisbare bondgenoten die gewasresten verwerken, voedingsstoffen vrijstellen uit organische stof, gangen graven zodat water beter kan draineren en wortels beter kunnen groeien, de bodem versterken door bodemdeeltjes aan elkaar te kleven en schadelijke organismen onder controle te houden. Al dat loonwerk gratis en voor niets, dag en nacht. Al wat je hoeft te doen, is die bodemorganismen eten te geven en hun woonst zo weinig mogelijk te verstoren. Dit kan door gewasresten en stro achter te laten (liefst aan de oppervlakte), de bodem zo weinig mogelijk braak te laten liggen en de ploeg wanneer mogelijk achterwege te laten.

4. Organische stof mag je nooit vergeten

Humus of organische (kool)stof is dé motor van de bodem. Een bodem met voldoende organische stof stimuleert het bodemleven, kleeft bodemdeeltjes aan elkaar vast zodat de bodem sterker wordt, houdt het vocht beter vast, leidt tot een betere verhouding tussen water en lucht en is bron van voedingsstoffen. Organische stof opbouwen in de bodem is een traag proces en vraagt voortdurende aandacht. Je kan het gehalte aan organische stof verhogen met gewasresten, groenbedekkers of dierlijke en plantaardige mest. Gebruik daarbij zoveel mogelijk resten of meststoffen met een hoog gehalte aan stabiele organische stof. Stro, stalmest en compost kunnen bijvoorbeeld meer bijdragen tot organische stofopbouw dan varkensdrijfmest of bietenbladeren.

5. Betreed je grond enkel wanneer voldoende gedroogd

Een verdichte bodem belemmert wortelgroei. Water kan bovendien niet goed in de bodem dringen wat in periodes van overvloedige neerslag leidt tot wateroverlast. In droogteperiodes treedt er dan weer sneller droogtestress op, omdat water uit de ondergrond niet kan opstijgen. Een verdichte bodem zorgt er met andere woorden voor dat je in een bak aan het telen bent, waarbij je alleen het water en voedingstoffen uit de bouwvoor kan benutten. Een drogere bodem heeft meer draagkracht en kan betreding door machines beter verdragen, waardoor er minder risico is op verdichting. Ook leiden ploegscharen en elementen zoals tanden minder tot versmering van de bodem wanneer de bodem droger is. Kies indien mogelijk voor rassen die vroeg geoogst kunnen worden. Late oogst van gewassen gebeurt meestal onder ongunstige (natte) omstandigheden, wat het risico op bodemverdichting doet toenemen.

6. Teveel druk op de bodem wordt niet gedoogd

Landbouwmachines worden alsmaar zwaarder en dat verhoogt het risico op bodemverdichting. Probeer daarom wiellasten te verlagen, bijvoorbeeld door meerdere assen te voorzien. De bodemdruk is de wiellast gedeeld door het contactoppervlak van de band met de bodem. Dat contactoppervlak kan je vergroten door hogere en bredere banden te gebruiken en te rijden op lage druk. In bandentabellen kan je aflezen welke druk je kan instellen bij een bepaalde belasting en rijsnelheid. Een drukwisselsysteem zorgt ervoor dat je op lage druk kan rijden op het veld en de druk kan verhogen als je de weg op moet.

7. Een regelmatige analyse van je grond is niet overbodig

Meten is weten. Cijfers over koolstofgehaltes, voedingstoestand, zuurtegraad, nitraatresidu en minerale stikstofvoorraad in het voorjaar laten toe om te beoordelen hoe het met je grond gesteld is en wat er nodig is om hem nog beter te laten renderen. Jij weet beter dan wie ook hoe je percelen het doen qua bewerkbaarheid en gewasopbrengst. De analyseresultaten vullen je kennis aan. Dit nieuwe inzicht kun je gebruiken voor de teelten in de volgende jaren. Door de vinger aan de pols te houden met grondanalyses vermijd je problemen in de toekomst.

8. Bemest niet meer dan nodig

Een oordeelkundige bemesting vertrekt vanuit kennis van de voedingstoestand van je bodem, de te verwachte vrijstelling van stikstof uit organische stof en vanuit de gewasbehoefte. Meer bemesten dan wat het gewas nodig heeft, is niet zinvol. Een overmaat aan voedingsstoffen kan je gewas bovendien gevoeliger maken voor ziektes en zorgt voor uitspoeling naar grondwater, beken en rivieren, met alle gevolgen van dien. Wanneer de waterkwaliteit niet verbetert, kan dit leiden tot nog strengere bemestingsnormen in de toekomst. Oordeelkundig bemesten doe je dus niet alleen voor jezelf, maar voor de hele landbouwgemeenschap.

9. Bedek de bodem jaarrond met groen

De bodem bedekt houden met groenbedekkers tussen hoofdteelten in biedt heel wat voordelen voor de bodem. Groenbedekkers stimuleren het bodemleven, dragen bij tot een goede bodemstructuur, houden voedingsstoffen vast die door het volggewas benut kunnen worden, verhinderen erosie en dragen bij tot organische stof. Een veld vol groenbedekkers oogt ook nog eens mooi en verzorgd, en draagt bij aan biodiversiteit in het landschap. Gewasresten aan de oppervlakte houden, bijvoorbeeld door de bodem niet-kerend te bewerken, vermindert het risico op erosie en stimuleert diepgravende regenwormen.

10. Vruchtwisseling daar is het om te doen

Net zoals voldoende variatie in onze voeding onze gezondheid bevordert, is een ruime vruchtwisseling beter voor de bodem. In eerste instantie verlagen we hiermee de ziekte- en plaagdruk, maar er zijn ook nog andere voordelen. Vruchtwisseling komt de bodemstructuur ten goede omdat verschillende gewassen op een andere manier de grond benutten. Intensief wortelende gewassen zoals gras en granen maken de toplaag sterker, diep wortelende gewassen zijn gunstig voor drainage. Gewassen verschillen ook in de manier waarop ze nutriënten uit het bodemprofiel kunnen halen. Gewassen die veel resten achterlaten dragen bij tot de opbouw van organische stof en stimuleren het bodemleven.

GA