Boerderijcompost maken: hoe?

Twee vliegen in één klap

Compostering is een gecontroleerde, aerobe afbraak en omvorming van een mix van organische reststromen zoals gewasresten, voederresten, stro, vaste dierlijke mest (stalmest of de dikke fractie van mengmest), houtsnippers, … . Je verkrijgt én een bodemverbeterend middel én een meststof. Het composteringsproces gebeurt door de activiteit van bacteriën en schimmels die van nature op het organisch materiaal aanwezig zijn. Zij breken het materiaal af en gebruiken deze voedingsstoffen voor hun eigen levensprocessen. Na één maand compostering heb je een jonge compost en na twee maanden en meer, een rijpe compost. Rijpe compost bezit een hoog gehalte aan stabiele organische stof.

Twee fasen

Een goed composteringsproces kent twee fasen: de afbraak- en de opbouwfase. Het afbraakproces vergt een zeker vochtgehalte van het uitgangsmengsel, een goede C/N verhouding en voldoende zuurstof. Vocht hebben de bacteriën en schimmels nodig, net als voor alle andere levende organismen. Het na te streven vochtgehalte is 50-60 procent. De optimale startverhouding C/N bedraagt 25/1 tot 35/1. Koolstofrijke verbindingen (C) zijn de energiebron voor de micro-organismen en stikstofhoudende verbindingen (N) een bron van N voor de vorming van microbieel eiwit. Idealiter benadert de C/N verhouding van afgewerkte compost de C/N verhouding van de bodem, dit is ongeveer 12-15/1. Zuurstof hebben de micro-organismen nodig voor een aerobe activiteit.
Boerderijcompost wordt meestal op rillen gezet, langwerpige hopen met trapeziumvormige dwarsdoornsnede, met een breedte/hoogte-verhouding van 2/1. Optimaal is een breedte van 3 m aan de basis bij een hoogte van 1,5 m hoogte. De lengte is afhankelijk van de te verwerken volumes en de afmetingen van het terrein. Het composteringsproces wordt aangestuurd door het omzetten van de hopen om ze te beluchten, de temperatuur te beheersen of om vocht toe te dienen. Omzetten is het meest praktisch met een compostkeerder. Omzetting is vooral belangrijk in de beginfase van de compostering wanneer de microbiële activiteit het hoogst is en de temperaturen hoog kunnen oplopen.

Langzaam werkende stikstof

Compostering betekent een gewichtsverlies omdat bij afbraak koolstof ontsnapt onder de vorm van koolzuurgas (CO2) en er door de temperatuuropbouw vocht verdampt.
Eén ton rijpe boerderijcompost kan 4-5 kg stikstof en 2-3 kg fosfaat bevattten. De stikstof is weliswaar langzaam werkend maar is anderzijds weinig onderhevig aan uitspoeling. Nog afhankelijk van het toepassingstijdstip, de rijpheid en de bodemomstandigheden is 10 à 15 procent van de met compost aangebrachte stikstof het eerste jaar na toediening beschikbaar. De kans op een kaliumovermaat ten aanzien van magnesium vormt bij herhaalde compostgiften wel een aandachtspunt. Ook bij composttoepassing dienen de bemestingsregels gevolgd te worden. Het MAP stelt dat er gerekend moet worden met een stikstofwerkingscoëfficiënt van 30%.

Boerderijcompostering en de regelgeving

In het kader van de omgevingsvergunning wordt ‘boerderijcompostering’ niet aanzien als een vergunningsplichtige activiteit wanneer er gewerkt wordt met uitsluitend bedrijfseigen uitgangsmateriaal en de compost uitsluitend bestemd is voor de eigen percelen. Dan wordt dit niet aanzien als opslag of behandeling van afvalstoffen, wat betekent dat er geen wettelijke verplichtingen zijn bij de uitbating. Wordt er echter afgeweken van deze strikte definitie van boerderijcompostering, bv door het gebruik van externe materialen, dient de activiteit vergund te zijn waarbij voldaan moet worden aan verschillende voorwaarden. Hiertoe hoort het werken op een vloeistofdichte vloer met opvang van het afvalwater.