Pers en media

VILT - donderdag 1 februari 2018

Stedelijk beleid rond stadslandbouw maakt het verschil

Initiatieven voor stadslandbouw hebben een grotere slaagkans als ze structurele steun krijgen van de stad of gemeente, én als er een balans is tussen het streven naar economische haalbaarheid en het vergroten van de sociale gelijkheid in de stad. Dat concludeert onderzoekster Charlotte Prové (ILVO/UGent) na een vergelijkende studie over stadslandbouw in Gent, Philadelphia en Warschau. Het in de VS beter gekende model van ‘voedselraden’, die alle betrokkenen samenbrengen, kan stadlandbouw een boost geven.

De gedachte dat steden meer verantwoordelijkheid moeten nemen in het voorzien van gezonde en duurzame voeding kan op veel sympathie rekenen. Initiatieven zoals Roof Food in Gent, PAKT in Antwerpen en Abattoir in Anderlecht kunnen steevast op veel media-aandacht rekenen. Dat komt volgens onderzoekster Charlotte Prové (ILVO/UGent) doordat stadslandbouw sterk wordt gelinkt aan sociale, economische en ecologische duurzaamheid: het verbindt mensen, het biedt kansen voor nieuwe verdienmodellen, en het verplaatst het voedselvraagstuk van het globale naar een meer lokaal niveau. Daardoor kan er meer doordacht met natuurlijke bronnen worden omgegaan.

De vele initiatieven die in de steden zijn gegroeid vertonen een grote variatie aan praktijken. Bij de actoren ziet de onderzoekster erg diverse profielen: professionele landbouwers, nieuwe ondernemers, onderzoekers, architecten, sociale en culturele instellingen, onderwijsinstellingen, en overheidsinstellingen, maar ook burgers. Vraag en aanbod zijn dus allebei duidelijk aanwezig, maar toch kent stadslandbouw een trage groeicurve. Charlotte Prové: “Ondanks veel bereidheid zie ik stadslandbouw in de Vlaamse steden en gemeenten nog niet echt op een grotere schaal van de grond komen. De ontwikkeling verloopt traag, veel projecten zijn tijdelijk of experimenteel, vaak plukt enkel de middenklasse de vruchten.”

Een cruciale verklaring voor het matige succes ligt volgens haar bij de rol die de lokale overheid al dan niet speelt. Voor haar doctoraatsonderzoek trok Prové naar Gent, Warshau (Polen) en Philadelphia (Verenigde Staten) om ter plekke inzicht te verwerven in de barrières voor stadslandbouw. Daarbij nam ze de rol van de stad in het ondersteunen van stadslandbouw onder de loep. Aan de hand van interviews met burgers, ondernemers en beleidsmakers, via de analyse van documenten, en via deelname aan activiteiten, debatten, en vergaderingen van onder andere voedselraden kon ze vergelijken welke al dan niet succesvolle rol er kan worden gespeeld door een stedelijk beleid. Prové ontdekte heel wat manieren waarop stadsbesturen stadslandbouw kunnen ondersteunen, gaande van zachte maatregelen zoals ruchtbaarheid geven, promotie, en financiering, tot structurele ondersteuning zoals permanent ruimte bieden aan stadslandbouw, en het opzetten van een voedselraad (in het Engels ‘food policy council’).

In Warschau wordt stadslandbouw niet gesteund door lokale overheidsinstellingen. Bijgevolg blijven de projecten informeel en tijdelijk, en blijft stadslandbouw onder de radar. In Gent en Philadelphia is er formeel beleid rond duurzame en lokale landbouw en voeding opgesteld, en dat opent deuren voor stadslandbouw. In Philadelphia werd een grondbank opgericht waarbij publieke en braakliggende gronden permanent kunnen worden ingezet voor stadslandbouw. Bij het organiseren van deze grondbank zijn heel wat organisaties en instellingen betrokken, waardoor er brede ondersteuning is voor de grondbank. Het voordeel van permanente ruimte voor stadslandbouw is dat, anders dan in tijdelijke stadslandbouwprojecten, het de moeite loont om te investeren in de grond, dat er langetermijndenken mogelijk is, en dat stadslandbouw ook een vaste waarde in de stad wordt.

Ook de formule van een voedselraad, overgewaaid vanuit Amerika, blijkt veelbelovend. Zo’n voedselraad brengt alle betrokken actoren uit de overheid, markt, en maatschappij rond de tafel om een lokale voedselstrategie te ontwikkelen en promoten. Gezonde, duurzame, en/of lokale voeding staan hierin centraal. “Via Voedselraden worden netwerken gevormd, wordt er op lokaal niveau geleerd om naar alle schakels van het voedselsysteem tezelfdertijd te kijken, en vinden actoren die nodig zijn voor systeemveranderingen elkaar”, zegt Charlotte Prové, “Dat klinkt super, maar voedselraden zijn in veel gevallen beperkt: niet alle stadslandbouwpraktijken, actoren, en doelstellingen worden altijd weerspiegeld. Bijgevolg worden sommige praktijken reeds op voorhand uitgesloten in het beleid of besluitvormingsprocessen. Er zijn dus heel wat uitdagingen rond het opstellen van een integraal stedelijk voedselbeleid.”

Charlotte Prové licht enkele uitdagingen kort toe. “Stadslandbouw kan pas werken als het principe groeit vanuit de eigenheid van de stad. In Warschau werd bijvoorbeeld het historisch grote aantal volkstuinen vergeten, hoewel die de stadslandbouwbeweging kunnen versterken. De doelstellingen die voedselraden voorop stellen hebben een grote invloed op de ontwikkeling van stadslandbouw. In Philadelphia heeft een sterke focus op toegang tot voeding en sociale inclusie er toe geleid dat professionele landbouwers in de bijeenkomsten en in de activiteiten over het hoofd worden gezien. In Gent gebeurt net het omgekeerde. Een lokaal en duurzaam voedselsysteem als hoofddoel in het beleidsplan verschuift de focus naar productie en opschalen van lokale voeding, en leidt de aandacht af van andere problemen zoals toegang tot voeding, armoede, en sociale inclusie.”

Participatie bij het uitstippelen van een stedelijk voedselbeleid is essentieel, noemt Prové een derde uitdaging. “Uit mijn studie blijkt dat stadslandbouw best gedijt waar zowel economische als sociale doelen tezelfdertijd worden nagestreefd. Een voorbeeld zijn de boerenmarkten in Philadelphia, waar personen die in financiële moeilijkheden zitten met voedselbonnen worden aangemoedigd om groenten, fruit, en zuivel te kopen.” Verder is het van groot belang dat voedselraden tijd en energie investeren in hun organisatie en waken over een continue en evenwichtige rekrutering van nieuwe actoren. In Philadelphia zijn er bijvoorbeeld naast de thematische werkgroepen ook twee werkgroepen die zich specifiek richten op participatie en communicatie.

Om stadslandbouw te bestendigen is steun aan bestaande stadslandbouwactiviteiten nodig, maar vooral ook kritische aandacht voor hoe het stedelijk beleid stadslandbouwinitiatieven aanpakt en breed kan ondersteunen. Er is nu ruime aandacht en grote bereidheid om tijd, energie, en soms zelfs financiële middelen te investeren in stadslandbouw. Daarom moet er dringend ruimte worden gegeven aan experimenten. “Daar is Gent een koploper in”, merkt de onderzoekster op, “bijvoorbeeld door ruimte te bieden aan een nieuw professioneel landbouwbedrijf met sociale functies in Afsnee, of het uitschrijven van onderzoeksprojecten rond het opschalen van korte keten.”

Aangezien voedselraden een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van stadslandbouw, moeten ook zij hun strategie kritisch(er) gaan uitbouwen. Welke innovatieve manieren zijn er om op een echt participatieve en inclusieve manier een lokale voedselstrategie uit te bouwen? Welk soort voedselsysteem willen we? Hoe zetten we schaarse middelen in de stad in? Aan wie verlenen we toegang tot stadslandbouw? “Stadslandbouw is niet alleen een zaak voor landbouw- en milieudepartementen”, besluit Charlotte Prové. “Om echt de vruchten te kunnen plukken van alle aspecten van stadslandbouw en om dus ook de relevantie van stadslandbouw juist te kunnen inschatten, moet het beleid alle stedelijke functies in rekening brengen en stadslandbouw op een geïntegreerde manier benaderen.”

Bron: VILT