Monitoring & beheersing van latente infectie en besmetting van Erwinia chrysanthemi (Dickeya sp.) in aardappelpootgoed

De aantasting van aardappelpootgoed door zwartbenigheid en stengelnatrot hebben in de afgelopen vijf jaar geresulteerd in declassering of afkeuring van partijen.

Vooral stengelnatrot veroorzaakt door de bacterie Erwinia chrysanthemi (Ech) wordt in toenemende mate vastgesteld in de pootgoedproductie. De tendens naar een milder en vochtiger klimaat in West-Europa wordt dikwijls aangehaald als verklaring voor de verdringing van de eerder koudeminnende Pectobacterium atrosepticum (syn. Erwinia atroseptica, (Ea)) door de warmteminnende Ech. In 2005, met aanzienlijk hoge temperaturen gedurende het hele teeltseizoen, bleek Ech de reden te zijn van meer dan 70% van de afkeuringen veroorzaakt door zwartbenigheid in Nederland. Ook in 2006 was het relatieve aandeel van Ech hoger dan 50% in de bacteriële aantastingen. In 2007 waren de weersomstandigheden gedurende het grootste deel van de teeltperiode niet gunstig voor stengelnatrot. Dit heeft echter niet geleid tot een toename van de klassieke zwartbenigheid.

Aardappelplant aangetast door Erwinia chrysanthemi

Aardappelplant aangetast door Erwinia chrysanthemi

Erwinia chrysanthemi werd recent hernoemd als Dickeya. De aardappelstammen van Ech die in Europa werden vastgesteld zijn verdeeld over drie soorten: Dickeya dianthicola, Dickeya zeae en Dickeya dadantii, waarbij de D. dianthicola-soort voorkomt in gematigde klimaatszones (West-Europa) en beide andere soorten in warme klimaatszones (Zuid-Europa). In Israël werd in 2006 daarenboven een Ech-stam geïdentificeerd die niet in één van de bestaande Dickeya-soorten kan worden geplaatst. Dit illustreert in welke mate de bacterie nog in volle expansie is. Onderzoek in Nederland heeft bovendien aangetoond dat in de teeltseizoenen 2005 en 2006 het klassieke D. dianthicola-type is weggedrukt door de meer agressieve Dickeya-soorten uit de warme klimaatzones.

Moederknol aangetast door Erwinia chrysanthemi

Moederknol aangetast door Erwinia chrysanthemi

Overleving en verspreiding

Dickeya lijkt zich als een biotroof organisme te gedragen en heeft de waardplant in één of andere vorm nodig voor langdurige overleving. Onderzoek in Nederland geeft aan dat Dickeya dianthicola in verschillende types akkergrond niet langer dan 3 weken in voldoende mate overleeft om stengelnatrotinfecties te veroorzaken in aardappelplanten. Dit is contrasterend met Ea waarvan de overlevingsduur minstens 3 maanden bedraagt. Ook de overleving op inerte materialen zoals ijzer, hout en rubber bleek beperkt maar toch wordt besmetting gemakkelijk verspreid door machines tijdens de oogst en door transportbanden tijdens triage. In associatie met aardappel en aardappelresten gebeurt de verspreiding van de ziekte in het veld wel zeer efficiënt. Veldproeven in Frankrijk hebben uitgewezen dat een besmetting van 40 Dickeyacellen per gram aardappelschil resulteerde in 15-30% aangetaste aardappelplanten. In de variëteit Spunta verhoogde de besmetting van Dickeya dianthicola op één vermeerderingscyclus van niet aantoonbaar tot meer dan 20%.

Belangrijk is dat aan het Vlaamse pootgoed voldoende strenge eisen worden gesteld zodat het een kwalitatief hoogstaand en sterk exportproduct is. De voorwaarden en normen die in het keurings- en certificeringsreglement zijn vastgelegd voor de goedkeuring van basispootgoed en gecertificeerd pootgoed zijn strenger dan de minimale voorwaarden vastgelegd in de Europese basisrichtlijn 2002/56 waar een tolerantie geldt voor de aanwezigheid van zwartbenigheid in basispootgoed van 2 % en in gecertificeerd pootgoed van 4 %. In het ministerieel besluit van 27 februari 2007 tot vaststelling van een keurings- en certificeringsreglement voor de productie van pootaardappelen, zijn naar analogie met Nederland, dat toonaangevend is voor de productie van pootgoed, de toleranties voor Erwinia-aantastingen voor de veldkeuringen teruggebracht tot 0,1 % in basispootgoed en 0,3 % in gecertificeerd pootgoed.
Aangezien Ech zeer goed en gedurende lange tijd kan overleven in de aardappel, ook zonder dat er symptomen ontwikkelen, betekent de latente infectie van pootgoed een belangrijk risico voor insleep en verspreiding van deze bacterie en verdient dit daarom voldoende aandacht. We ontwikkelen een procedure die meer zekerheid moet bieden op het vaststellen van besmetting in pootgoed. Dit impliceert enerzijds een goed bemonsteringsplan en anderzijds een gevoelige en nauwkeurige detectiemethode.

Bemonstering en toetsing van het pootgoed zijn een schakel in een beheersingsstrategie. Andere maatregelen moeten deze operatie aanvullen tot een effectief controleplan. Binnen het vooropgestelde projectkader kunnen twee parameters worden onderzocht:

  • Dickeya dianthicola werd in Nederland, Zweden en Finland aangetoond in oppervlaktewater. Er is bijgevolg risico om pootgoedbesmettingen op te lopen door beregening. In Vlaanderen is beregening van pootgoed geen algemene praktijk. Een bemonstering in waterlopen waaruit pootgoedpercelen worden beregend zal aanwijzingen geven over de relevantie van waterbesmetting in Vlaanderen.
  • Verkennend onderzoek suggereert dat besmetting van pootgoed door Ech kan worden beheerst door frigobewaring. Partijen van de productie 2008 met vastgestelde besmetting worden in frigo-opslag geplaatst en onderzocht.

Contactpersoon

Johan Van Vaerenbergh

© ILVO 1998-2011. Opmerkingen kan u sturen naar de Webmaster.
Website Vlaamse Overheid