Afleiden van N en P uitscheidingsnormen voor de biologische melkveehouderij

Volgens de biologische melkveehouders is de productiewijze en de rantsoensamenstelling op hun bedrijven dermate afwijkend van de gangbare landbouw dat een uitzondering op de in het mestdecreet vermelde forfaitaire uitscheidingsnormen verantwoord is. Zij steunen zich hierbij op het extensievere karakter van de biologische melkveehouderij, het trager verteerbaar voer, de lagere eiwitgehalten in het gras, de hogere aandelen klaver in het gras, het kleiner aandeel krachtvoeder, enzovoort. Om deze stelling te onderzoeken, kende ADLO een tweejarig onderzoeksproject toe aan ILVO Eenheid Dier en Eenheid Plant dat startte in het voorjaar van 2008.

Met dit project zullen de N- en P-uitscheidingen van biologische melkkoeien zo precies mogelijk bepaald worden en vergeleken worden met die van de gangbare melkveehouderij, hierbij rekening houdend met de specifieke eigenschappen van de biologische melkveehouderij. Daarbij zal qua methodiek zo vergelijkbaar mogelijk te werk gegaan worden als destijds is gebeurd bij het afleiden van de uitscheidingsnormen van het Mestdecreet voor de gangbare melkveehouderij.

Enerzijds zal er voor een paar fictieve rantsoenen van biologische bedrijven de excretie berekend worden en anderzijds zullen er balansproeven en voederproeven, inclusief validatie op biologische bedrijven, uitgevoerd worden op ILVO dier onder biologische omstandigheden.

Om de berekeningen specifiek aangepast aan de situatie van de biologische melkveehouderij te kunnen uitvoeren en om proeven te kunnen opzetten die zo dicht mogelijk aanleunen bij de productiewijze en rantsoenkenmerken van de biologische melkveehouderij werd het project aangevat met een enquête/inventarisatie die tot doel heeft om de rantsoenen en enkele zoötechnische parameters van de biologische melkveehouderij in kaart te brengen. Daartoe werd er met alle 23 biologische bedrijven in Vlaanderen persoonlijk contact genomen om een aantal gegevens op te vragen. Het overgrote deel van de bedrijven heeft bereidwillig meegewerkt aan een enquête. Daarnaast werden in de loop van het project reeds tientallen kuilvoeders en graasweiden bemonsterd voor analyses van de ruwvoeders.

Balansproeven zijn de meest precieze manier om de N en P excretie van een dier te bepalen. Door het perfect bepalen wat een dier opneemt en wat er langs melk, urine en feces uit het dier verdwijnt kan men de N- en P-balans vrij precies opmaken.

Door de intensiteit van werken en het veelvoud aan bepalingen kunnen balansproeven slechts op een beperkt aantal dieren gebeuren en daarom is het belangrijk om naast de balansproeven ook voederproeven te doen, waar iets meer benaderend tewerk wordt gegaan, maar met een duidelijk groter aantal dieren om op die manier ook betrouwbare resultaten te bekomen. Ondertussen werden reeds de voorziene voeder- en balansproeven uitgevoerd en worden de resultaten hiervan momenteel verwerkt.

Naast de voederproeven uitgevoerd op ILVO – Eenheid Dier zullen in de winterperiode 2009-2010 validatieproeven in de praktijk uitgevoerd worden om op biologische bedrijven zelf een soort N- en P- balans op te stellen. Daartoe werden reeds 3 bereidwillige bedrijven gevonden die beschikken over de juiste voorzieningen en waar de validatie kan uitgevoerd worden.

Op basis van de bekomen uitscheidingscijfers uit de verschillende proeven/metingen zal een definitief voorstel tot uitscheidingsnorm in kg N en P per koe per jaar gemaakt worden. Deze norm zal gerelateerd worden aan de bemestingsnormen van het MAP en met de voor de biologische veehouderij ingestelde maximum veebezetting van 2 GVE per ha.

Contactpersonen

Sam De Campeneere, Alex De Vliegher, Nico Peiren, Lucien Carlier en Daniël De Brabander

© ILVO 1998-2011. Opmerkingen kan u sturen naar de Webmaster.
Website Vlaamse Overheid